Categorie: Familieleven

  • Morgen naar Amsterdam

    DatumPlaats
    Geschreven8 februari 1673Den Haag
    Ontvangen29 februari1waarschijnlijk 1 maart 1673Bielefeld
    Lees hier de originele brief

    Een korte brief met veel inhoudelijke overlap met de vorige brieven. Hij komt op dezelfde dag aan als één van de brieven van 6 februari. Erg snel is deze postvariant niet: hij is pas op op 29 februari aangekomen. Wacht even…1673 was geen schrikkeljaar, dus Godard Adriaan zal 1 maart bedoeld hebben. Eén echt nieuwtje in deze brief: morgen gaat ze eindelijk het lang verwachte geld halen in Amsterdam.

    Grote plannen en ‘wankelend weer’

    In Den Haag is men erg benieuwd te weten wat de Duitse troepen gaan doen, en ook wat Willem III van plan is met zijn leger. Dat moet iets indrukwekkends zijn, gezien de voorbereidingen die worden getroffen. In Alphen aan den Rijn verzamelt zich een steeds grotere troepenmacht.

    Vestingplattegrond van Fort Gouwsluis bij Alphen aan den Rijn. Het is een vierkant fort met op elke hoek een bastion. Rechts ligt de Rijn, links en onder weilanden, naar links stroomt de Gouwe. Onderaan het fort hangt een extra dubbelbastion. Dichtbij het fort vier puntjes naast elkaar en daarvoor nog een punt.
    Vestingplattegrond van Fort Gouwsluis in Alphen aan de Rijn, anoniem, 1680. Collectie Rijksmuseum
    Brieffragment Duitse troepen

    [selfve avont met de post heb beantwoort], men
    verlanckt hier seer te hoore wat de duijtse troep
    pees2Duitse troepen doen, alsmeede wat sijn hoocheijt met ons
    leeger sal atenteere3attenteren:ondernemen het welcke schijnt naer
    alle preeperaesie wat notabels4notabel: opmerkenswaardig te sulle sijn

    Plaat van faience (wit keramiek met blauwe afbeelding) met een gezicht op Overschie. Links de kerktoren van Overschie, rechts een riviertje met brug, waarop twee figuren. In het water een bootje met twee vissende mannen. Er zwemmen wat eendjes.
    Plaat met een gezicht op Overschie bij Rotterdam, Frederik van Frytom (toegeschreven aan),
    ca. 1670 – ca. 1700. Collectie Rijksmuseum

    Ook Van Ginkels regiment, dat nu nog in Overschie ligt, zal zich daar morgen bij voegen. Dat geeft hem gelegenheid om vannacht nog even bij Phillipota langs te gaan, die nog steeds niet met de kinderen heeft willen vluchten. Heel veel anderen doen dat wel vanwege de onzekerheid over vorst of dooi (“nu wankelt het weer”)

    Brieffragment wankelende weer

    [wat goets verleene,] de liede vluchte van hier
    met gewelt, de vrou van ginckel heeft met de
    kinder niet wech gewilt nu wanckelt het
    weer5het is kwakkelweer men weet niet wat het doet vriese oft
    doijt, de heer van ginckel is deesen avont weer
    hier gekoome met intensi om merge met sijn
    reesgement dat deesen nacht te overschie
    blijft, voort naer Alfhen6Alphen aan den Rijn bijt gros vant
    leeger te gaen, [ick schrijf deese Een dach]

    Gezicht op Alphen aan den Rijn. Op de Rijn verschillende boten, linksvoor de kostschool en linksachter een kerk. Aan beide kanten is bebouwing en aan beide kanten liggen bootjes aangemeerd. In de verte een ophaalbrug en nog verder daarachter een molen. In het midden vaart een zeer elegant zeilschipt, Daarnaast een boot met een kajuit, waarop twee mannen staan te bomen. Twee kleinere bootjes: een roeibootje en een bootje waarop ook iemand staat te bomen.
    Gezicht op Alphen aan den Rijn, François van Bleyswijck, 1714 – 1728. Collectie Rijksmuseum

    Geld halen in Amsterdam

    Margaretha schrijft de brief een dag eerder dan de post gaat, omdat ze morgen naar Amsterdam wil om de ordinantie in contant geld om te zetten. Mocht de belastingontvanger van wie ze het geld los moet krijgen haar te veel aan het lijntje houden dan zal ze de burgemeesters er op aan spreken.

    Brieffragment geld halen in Amsterdam

    ick schrijf deese Een dach
    vroechger als de post gaet om dat ick merge
    met godts hulp gaern naer Amsterdam wou
    gaen om te sien nu gelt voor onse ordinansie
    te krijge vrees den ontfanger mij ock noch al
    sal nae laeten loopen dan so hij t doet sal ick
    de burgemeesters daer over aenspreecken,

    Omdat het geld zo schaars is probeert ze ook de tweede zesduizend gulden zo snel mogelijk te verzilveren. Ze ziet er tegenop om in deze tijden op reis te gaan, maar hoopt zonder ongelukken in drie of vier dagen weer terug in Den Haag te zijn. Ze leeft mee met Godard Adriaan wiens paarden kreupel zijn en wenst hem Gods bescherming.

    Brieffragment meer geld vragen en kreupele paarden

    uhEd sou niet geloofve hoe schaers het gelt is
    ick sal nu inde toekoomende weeck weer ses duij=
    =sent gul7gulden versoecke, hoope buijten ongeluck in
    3 a 4 dage weer hier te sijn, sal al met groot
    te bekomerin in deesen tijt wt weese, het
    doet mij leet uhEd met sijn kreupele paerde so
    verleegen sal sijn de heer almachtich wil
    uhEd en al het onse bewaere inwiens heijle
    ge bescherminge uhEd beveelle blijfve

    En weer de zadels

    Afbeelding van een paard zonder zadel op. Het paard staat voor een winkel vastgebonden aan een tafel. Twee mannen praten over het zadel op tafel, onder tafel ligt ook een zadel. Aan de gevel hangen andere paardenbenodigdheden. Boven de prent staat:
De Saalemaaker
Uw eigen dier, vereist bestier.
Onder de prent staat:
't  Geweldich, trots en weelich Paard, word nochtans van den Man bereeden,
Betoomd, besaadeld en Bedaard:
Soo most de Geest, door hooge reeden,
Zijn wilde Dier, van vlees en bloed,
Betemmen, om een Eeuwich goed.
    Zadelmaker, Caspar Luyken, naar Jan Luyken, 1694. Collectie Rijksmuseum

    Over paarden gesproken: Van Ginkel zou graag de zadels die naar Hamburg gestuurd waren (en waar ze zich in september en oktober zo druk over maakte!) weer hier hebben, schrijft ze in een ps. Ze zijn zo mooi gemaakt en hij kan ze goed gebruiken. Hij en zijn vrouw en kinderen doen de groeten, en in het bijzonder Fritsje die zo groot en zoet wordt!

    Brieffragment van de ps over de zadels en de kinderen en kleinkinderen.

    soot uhEd
    beliefde wenste
    de heer van ginckel
    de saels8zadels en het ander
    goet dat voor uhEd op
    hamburch gesonde heeft is
    weer hier te hebbe om dat
    het seer net gemaeckt is
    heer en vrou van ginckel met
    al de kindere preesenteere
    haeren dienst aen uhEd so
    doet insonderheijt fritsge
    die seer groot en soet wort

  • Philippota, ga toch weg!

    DatumPlaats
    Geschreven6 februari 1673De Haag
    Ontvangen19 februari 1673Bielefeld
    Lees hier de originele brief

    De vorst waar Margaretha in haar vorige brief over schreef zet door maar haar bondigheid niet. De brief van 6 februari is weer erg lang. Den Haag is nog steeds gevuld met angst en chaos. Het Staatse leger is gelegerd bij de Gouwsluis in Alphen aan de Rijn en schijnbaar vluchten de Hagenaren naar het leger of andere steden toe. Den Haag heeft geen stadsmuren en is dus niet de veiligste plek om te verblijven. Helaas heeft niet iedereen een keuze: de situatie is zo dringend dat, op orders van Willem III, boeren en burgers op straffe van lijfstraf gedwongen worden het leger te ondersteunen.

    Voor Margaretha is de veiligheid van haar kleinkinderen veel belangrijker. Nu de spanning oploopt, lopen ook de ruzies tussen haar en de zwangere Philippota op. Philippota doet weer eens niet wat Margaretha wil en blijft in Den Haag, ondanks het feit dat Amsterdam veiliger is. Het lijkt wel een herhaling van juni 1672, toen Philippota koste wat het kost in Utrecht, dichtbij haar man, wilde blijven.

    Brieffragment over de vlucht uit Den Haag en het blijven van Philippota

    alde burgerij is wt den haech naert leeger
    so dat het hier gans leech is, voort vluchten alle
    mense wt den haech gaen inde steede, tis niet
    te segge so droefvich het staet ick had gaern
    dat de vrou van ginckel met haer kindere
    naer Amsterdam ginck daer sij noch niet aen
    wil meent al dat het noch vroechgenoech is en
    alst der op aen sou koome sal ick met al de
    kinderen geen raet weeten hoop sij noch merge
    sal gaen, [men gelooft sijn hoocheijt selfs Eits]

    Gedonder met de post

    Ook het constante geklungel met de post zit Margaretha hoog. Hoe bedroeft is het dat hun brieven zo laat, of zelfs niet, aankomen? Aan Philippota kan ze niets doen, helaas, maar aan de post wel. Franco Bisdommer was een vertrouweling geweest van Johan de Witt en hij was commissaris van de uytheemse brieven. Hij zegt dat hij niet meer via ene Strijker verstuurt, maar direct naar Duitsland. Volgens hem is er geen probleem. Margaretha heeft er kennelijk nog niet veel vertrouwen in, want ze wilde hem nog een keer spreken, maar hij was niet thuis.

    Brieffragment met over post via Bisdommer

    uhEd vanden 23 ijanwa is mij gistere be-
    handicht, tis toch bedroeft dat al onse briefve
    so lansaem overkoome ick heb voordeese bisdon1Franco Bisdommer
    daer van gesproocke die verwondert was
    seijde de briefve niet meer aen strijcker te sende
    maer Een rechter wech gevonde te hebbe,
    dat so schijnt al Eens te sijn, ick heb hem
    gistere of vandaech niet thuijs konne vinde
    sal hem vandaech noch sien te spreecken,
    ent hem wel dicht segge, briefve die van sulcke
    inportansi sijn behoordense met Espresse te
    sende [raefvenhooft is hier geweest sijn hooch]

    Het irriteert Margaretha zodanig dat ze later in de brief opnieuw hierover begint. Waarschijnlijk is dit stuk later geschreven dan het eerdere fragment want ze heeft nu eindelijk gesproken met Franco Bisdommer. Hij herhaalt eigenlijk hetzelfde en ook dat hij de opdracht van Godard Adriaan precies opvolgt. En die ene brief die Willem III zegt nooit ontvangen te hebben? Die heeft hij nog nooit gezien. En hij heeft geen idee hoe het komt dat brieven zo lang onderweg zijn. Margaretha legt haar oor te luisteren bij de diplomaat van de Keurvorst in Den Haag: Matthias Romswinckel. Zijn oplossing is simpel: van elke brief een kopie maken en met twee verschillende posten versturen. De ene kopie gaat over Keulen, de andere over Bremen. Eén van de twee zal wel aankomen dan. Toch?

    bisdomer is so bij mij geweest, seijt uhEd order
    presijs te volgen en alde briefve recht op
    breeme te sende sonder aen strijcker, dien brief
    vaen sijn hoocheijt seijt hij niet in hande gehadt
    te hebbe ten waere die ondert koevert2couvert: briefomslag van van
    vliet waer geweest, so dat hij niet weet hoet
    daermeede is gegaen ock niet hoet komt dat de
    briefve so lan onderweege sijn, nu om hier Eens
    wt te koomen heb ick aenden heere romswincke3Matthias van Romswinckel
    gesonde om te weet hoe hij sijn briefve sent, die
    seijt alst briefve van inportansie sijn dat hijse
    twee der leij sou of dubbelt sent deen overkeule 
    dander over breeme, dat dan deen wel Eer als
    dander overkomt, ock dat de keurvorst nuposte
    heeft geleijt so haest hij tijdine heeft hoe die legge
    sal hijt mij laete segge, moet hoope het voer=
    taen daer door beeter sal gaen, [nu seijtme]

    Gezicht op Salee in Marokko, Reinier Nooms, 1662 – 1668. Collectie Rijksmuseum

    Veroverde berbarisvaerders

    Ook in een brief vrijwel helemaal gevuld met de huiselijke zorgen en rompslomp deelt Margaretha de laatste militaire nieuwtjes (of roddels) mee. Het schijnt dat de Staatse vloot een aantal Engelse “berbarisvaerders” veroverd heeft. Deze schepen, beladen met rijkdommen, kwamen waarschijnlijk van de Afrikaanse Noordkust af. Dat gebied stond in de Republiek bekend als Barbaria (Berbers). In het gebied waren veel kapers actief, niet alleen Afrikanen, maar ook Europeanen. In de haven van Salé hebben ook lang Nederlandse kapers gehuisd.

    Brieffragment over de berbarisvaerders

    [het voor ditmael so gaen moet,] so komt tijdine
    dat donse Eenige berbarisvaerders vande Engelse
    hebbe gekreege die seer rijcklijck gelade sijn en
    wel achtien hondert duijsent gul waerdich sijn

    Olfert Dapper (1639-1689). “Barbaria, Biledulgerid o: Libye et pars Nigritarum terra.” Kaart van circa 1670. Eigendom van Princeton Library.
  • De kracht van de korte herhaling

    DatumPlaats
    Geschreven2 februari 1673Den Haag
    Ontvangen19 februari 1673Bielfelt
    Lees hier de originele brief

    Margaretha begint weer met een relaas over de post. Zowel de brieven van haar man als haar eigen brieven arriveren traag op de bestemming. Ze krijgt soms brieven die drie weken oud zijn! Deze brief houdt ze kort.

    IJs, ijs en nog eens ijs

    Het heeft nu 4 à 5 dagen flink gevroren. In de nacht ontstaat een sterke laag ijs, wat iedereen weer doet vrezen voor een overtocht van de Fransen. Hoewel er ook mensen zijn die zich minder zorgen maken. Het staatse leger is nu dichtbij en zij zouden – ijs of geen ijs –de nodige bescherming kunnen geven. In Utrecht echter werven de Fransen weer nieuwe troepen. Maar in Den Haag worden de paarden van de compagnie ook weer van stal gehaald en gereed gemaakt. Het blijft moeilijk met deze bekommeringen te moeten leven op dit moment, verzucht Margaretha.

    Tekening van een man met een grote hoed , een grote kraag, een ruimvallend jack en een broek, We zien hem op de rug en op zijn rug hangt een zwaard. Hij kijkt naar schetsmatig opgezette schaatsers op het ijs.
    Officier die naar schaatsers staat te kijken, Gerard ter Borch (II), na 1633 – ca. 1634. Collectie Rijksmuseum.

    Het huis in Amsterdam

    Het huis in Amsterdam, wat nog steeds door Margaretha gehuurd wordt, zal vanaf mei door anderen worden overgenomen. Dit brengt haar weer de nodige zorgen: ‘ick weet niet hoe ickt maecke sal so wij wttrecht voor de soomer niet weer krijgen’. Waar moet ze alle spullen uit Amsterdam laten als ze niet terug kunnen naar Utrecht? Ze vreest ervoor dat ze genoodzaakt is een ander huis in Amsterdam te huren.

    Brieffragment over het huis in Amsterdam

    [het welcke de heer almachtich wil seegene], het
    huijs dat wij te Amsterdam hebbe is teegens
    toekoomende meij verhuert, ick weet niet hoe
    ickt maecke sal so mij wttrecht voor de soomer
    niet meer krijgen, derf ick ons goet van Amster
    =dam niet hier brenge ock met het kraeme vande
    vrou van ginckel niet wage, vreese genootsaeck
    te sulle sijn teegens meij Een ander huijs al
    daer te hueren, salt noch Een maent of
    ses weecke insien wat met komste de heere
    ons mocht geefven, binne wijlle blijfve
    Mijn heer en lieste hartge
    uhEd getrouwe wijff

    Rekenen…

    Want dan heb je ook nog de zwangere schoondochter. Margaretha heeft zitten rekenen en verwacht de baby precies dan wanneer het niet uitkomt- rondom het opzeggen van de huur in Amsterdam dus. Maar goed, ze zal het nog een maand of zes weken afwachten…eens kijken wat de Heer met hun toekomst van plan is.

    Bruine penseeltekening Op de voorgrond een vrouw in de weer met waskom en linnenmand, links vrouwen en kinderen om een tafel, op de achtergrond bij de schouw een vrouw met een zuigeling op schoot, naast een wieg. Naast de wasmand zit een hond, naast de schouw een kat. Het licht valt van links door de ramen naar binnen. Op de achterwand hangen schilderijen. De schouw is hoog met aan weeszijde pilaren en daarboven een groot schilderij. In de vensterbank staat een vaasje met bloemen.
    Interieur van huis met vrouwen en kinderen, Zacharias Blijhooft, 1671. Collectie Rijksmuseum.

    P.S. een sterfgeval

    Er volgt nog een p.s. Toch nog een nieuwtje dus, want het voorgaande is eigenlijk het herhalen van de zorgen die ze al had. Maar ze schrijft dat ze vorige keer vergeten was te zeggen dat de oude Rijngraaf is gestorven (Frederik Magnus van Salm). Hij is in stilte begraven. Margaretha kan het niet laten te schrijven over de verdeling van de functies die door zijn sterven zijn opengevallen. De een zijn dood is de ander zijn brood…

    Brieffragment van de ps.

    met de leste post
    heb ick vergeete
    te segge dat den
    oude rhijngraef
    gistere acht daech
    tot Maestricht is gestorfve
    en daer in stillicheijt is begraefve
    sijn kompangi heeft den jonge donau1Waarschijnlijk Wilhelm Albrecht von Donha
    het goevernement seijt me dat den heere
    wurts2Paul Wirtz hebbe sal, en mompelijan3Armand de Caumont, marquis de Montpouillan het
    luijtenantgeneral

  • Familie

    DatumPlaats
    Geschreven26 januari 1673Den Haag
    Ontvangen12 februari 1673Lippstadt
    Lees hier de originele brief NB De brief is niet in de juiste volgorde gescand. Leesadvies: 23 rechts, 24 links, 26, 27 links, 24 rechts, 25 links.

    Vandaag schrijft Margaretha een lange, lange brief. Om het hier een beetje behapbaar te houden, hebben we de brief in drie stukken geknipt met de volgende onderwerpen:

    Een onderwerp dat vaak tussen neus en lippen door voorbij komt in Margaretha’s brieven, zijn de verhalen over familieleden. Soms heeft ze het welbewust over een neef of nicht, maar soms moet je het maar net weten. Zoals ze haar zoon en schoondochter de Heer en Vrouw van Ginkel noemt, zo worden andere familieleden ook genoemd. De familierelatie is dus lang niet altijd duidelijk. Soms is het ook zo dat ze mensen neef of nicht noemt, waarbij je geen idee hebt waarom. In ons 21e-eeuwse wereldbeeld zouden we het op zijn gunstigst over een achterneef of -nicht hebben, maar vaak zelfs niet eens meer weten dat het familie is.

    In deze brief komen drie familieleden voorbij: de Heer van Wulven, de Heer en Vrouw van Heeze en Leende en Neef van Reede.

    Heer van Wulven

    In een eerder deel van deze brief, Gruwelen, wordt de Heer van Wulven genoemd, dit is Hieronymus van Tuyll van Serooskerken, de oudste zoon van Godard Adriaans zus Cornelia Elisabeth.

    Een tekening van een kasteel, een waterburcht. Het geheel staat in het water. Rechts een eenvoudige houten brug naar een poortje. Links van het poortje een gebouwtje dat over de gracht heen hangt (een toilet?) en links daaronder een grote duiventil. Rechts van het poortje een woning met twee zadeldaken, het eerste lager dan het tweede. De muur maakt middenvoor een hoek. Over de muur hangen struiken. Daarachter het kasteel. Het is een groot huis met middenvoor een zeskantige toren. Daarnaast staat een hele hoge en dunne schoorsteen.
    Gezicht op kasteel Wulven, gezien vanuit het zuiden, Roelant Roghman, ca. 1646 – ca. 1647. Collectie Rijksmuseum

    Neef van Reede

    Het belangrijkste verhaal in deze brief is over de Neef van Reede: hij is overleden. Het doet Margaretha leed dat hij is overleden, ook al heeft ze hem niet gekend. Ze vindt het vooral jammer voor Godard Adriaan, die met hem een goede vriend aan het hof van de keurvorst verliest. Ze hoopt dat Godard Adriaan snel nieuwe mensen vindt die hem daar behulpzaam kunnen zijn. Tussen de brieven van Margaretha zitten ook twee brieven van Diederik van Baer, die getrouwd is met de zus van de neef. Hij schrijft Godard Adriaan aan over de mogelijke erfenis.

    Eerste Brieffragment over de dood van Neef van Reede
    Tweede brieffragment over de dood van de neef van Reede

    [goederen in seelant konfiskeere,] de doot van
    ons neef van reede doet mij van harte leet
    en vrij leeder hoewel hem niet gekent heb als

    so ick sien kan Eimant van sijn naeste vriende
    die mijns oordeels daer niet veel swaericheijt
    in maecke, dae voor mijn om dat uhEd so
    veel daer aent hof sende aen verliest de heere
    hoope ock sal al weer goede vriende en harte
    verwecke die uhEd behulpsaem sulle sijn

    Kennelijk heeft de neef ooit van de Keurvorst een stuk land in Pruissen gekregen, maar dat eist de Keurvorst weer terug. Margaretha snapt het niet helemaal. Hij had het toch in eigendom gekregen? Hoezo wil de Keurvorst het dan terug? Het is nu vooral de vraag of Godard Adriaan tijd en geld moet steken in een stuk land in een gebied waar ze niemand kennen die er naar om zou kijken. Bovendien is het nu oorlog en zijn ze waarschijnlijk toch al alles kwijt. Of Godard Adriaan dat maar wil overwegen voor hij verantwoordelijkheden op zich neemt.

    Tekening in vogelperspectief van Oranienburg. Rechtsboven op een eiland het slot. Het heeft een hoog hoofdgebouw in het midden, aan weerszijden en erachter kleinere bijgebouwen. Voor het slot ligt een ommuurde binnenplaats. Vanuit de poort gaat er recht door een brug met daarin een ophaalbrug. Daar liggen de wegen die naar de formeel aangelegde tuin gaan en naar een andere brug die rechts onder naar iets buitenbeeld gaat. Vanuit de poort direct rechts (schuin links naar boven) gaat een overdekte brug naar een bos. Het bos ligt op een driehoekig stuk land en ligt tegen de formele tuin aan. De formele tuin is vierkant en ligt aan de linkerkant schuin op de tekening. De Tuin is verdeeld in 9 vlakken (3 bij 3) die iedere een ander patroon hebben. In het midden staat een kapelletje. Aan de voorkant zit een poort met daarachter een grote ruimte. Via een soort galerij kom je in de tuin.
    Merian, Caspar naar Johann Gregor Memhardt: Kasteel Oranienburg. Vogelperspectief op het in 1651 uitgewerkte plan van Memhardt in opdracht van Keurvorstin Louise Henriette (van Oranje Nassau). Uit: Martin Zeiller, Topographia electoratus Brandenburgici et Ducatus Pomerianiae, bei Matthäus Merian, Frankfurt am Main, 1652, nach S. 76. Collectie: Stiftung Preußische Schlösser und Gärten Berlin-Brandenburg

    Carel van Reede van Drakestein, de opperschenker

    De bewust neef is Carel van Reede van Drakestein. De tak Drakestein komt voort uit de tak Nederhorst. Deze Carel is een kleinzoon van een broer van Godard Adriaans opa. Een erg verre neef dus. Maar ook verre neven kunnen goede neven zijn, juist in den verre. Carel heeft Godard Adriaan erg geholpen tijdens de start van zijn verblijf in Berlijn. Hij kende het hof van de Keurvorst goed, want hij was daar opperschenker.

    Een opperschenker was in de middeleeuwen de voorproever die ervoor zorgde dat de vorst niet vergiftigd kon worden. Om te zorgen dat hij zelf niet vergiftigd werd, hield deze opperschenker natuurlijk goed toezicht op met name de wijn en het schenken van de wijn, maar ook in de keuken in het algemeen. Ten tijde van Carel was de opperschenker verantwoordelijk voor de wijnkelders en bij afwezigheid van de hofmaarschalk ook voor de keuken en de tafel. Helaas weten we verder erg weinig over deze Carel.

    De heer en vrouw van Heeze en Leende

    Aan het eind van de brief vertelt Margaretha dat de heer van Heeze en Leende langs geweest zijn. Anna Margaretha van Randwijck, de Vrouwe van Heeze en Leende is een nichtje van Godard Adriaan. Ze is de dochter van zijn zus Catharina. Net als Neef Welland is zij ook vroeg wees geworden en mogelijk hebben Godard Adriaan en Margaretha haar ook opgenomen. Ze trouwde jong, ze was negentien, met de weduwnaar Albert Snouckaert van Schauburg. Hij had in 1659 het vervallen kasteel Eymerik gekocht in het katholieke Brabant en bouwde daar met architect Pieter Post een nieuw kasteel: Kasteel Heeze.

    Over het bezoek zelf laat ze vrij weinig los, alleen dat Albert en Anna Margaretha graag naar Vlaanderen willen. Waarom is niet duidelijk.

    Ziekenboeg

    Gelukkig liggen er geen familieleden meer in de ziekenboeg. De update in huis gaat over Warnaar, de koetsier die dood is, keukenmeid Dorit die buiten hoop van leven is net als lakei Arend. Met die laatste is het zwaar gesteld: hij heeft een razende koorts en is bijna niet meer aanspreekbaar. Moge de Here ze maar snel tot zich nemen, zowel wat betreft de ziel als wat betreft het lichaam. Wie dood is, mag zich gelukkig prijzen…

    Brieffragment ziekenboeg

    [noch aen,] warnaer de heer van ginckels koets
    sier is voorleede sondach gestorfven mijn doorij
    =te onse kockmeijt leijt buijten hoop van leefven
    so doet ock Arent de lackeij vande vrou van gincke
    se sijn al meest in Een raesende koorts en meest
    buijten verstant de heere wil haere sielle genadi
    sijn, ick doeder so naer den lichaeme als naer de
    sielle so veel bij alst doenlijck is moetse voort
    in de hande des heere beveelle inde welcke wij
    alle staen, die wel inden heere gestorfve is, is wel
    geluckich [want wie siet noch het Ent van deese]

    Aan het eind van de brief voegt Margaretha een hele korte update van de overige zieken in het land toe: de oude Rijngraaf, Frederik Magnus van Salm is tot stervens toe krank. Margaretha weet kennelijk nog niet dat hij de dag voor ze haar brief schrijft is overleden. Er is ook een stralend lichtpuntje: Amalia van Solms is beter.

    Brieffragment over de doodzieke Rijngraaf en de betere Prinses

    [pamphiel sijn proses wille maecke,] den
    oude rhijngraaf is heel kranck tot sterfens
    toe, Mevrou de prinses is beeter, [den heer]

    Sorry

    De brief is wat langer uitgevallen dan Margaretha gewild had. Dus houdt ze de ondertekening maar kort: MT en geen ps.

    Brieffragment einde van de brief:
deese is wat langer gevalle als gemeent
hadt sal blijfve
Mijn heer en lieste hartge

uhEd getrouwe wijff
MT

  • De terugkeer van Van Ginkel

    DatumPlaats
    Geschreven12 januari 1673Den Haag
    Ontvangen24 januari 1673
    Lees hier de originele brief

    De laatste brief die Margaretha van Godard Adriaan heeft ontvangen, heeft ze op 9 januari beantwoord. In de tussentijd heeft ze geen nieuwe brieven van haar man binnengekregen. Ze blijft trouw schrijven, maar maakt zich wel zorgen.

    Komt Van Ginkel thuis?

    Van zoonlief heeft Margaretha wel brieven ontvangen. De heer Van Ginkel schrijft dat zijn gezondheid sterk verbeterd is. Hij is met een koets vertrokken en wacht op het jacht dat hem op komt halen in Brussel. Margaretha verwacht dat hij onderweg is, maar het heeft de afgelopen week ontzettend hard gestormd…

    [staen t kost niet voort,] de heer van ginckel schrijft
    sijn gesontheijt so toe genoome te hebbe dat hij met
    Een koets wtgereede heeft dat hem wel bekoome
    is en wachte maer opt jacht dat van rotterdam
    gist gistere acht dage al naer bruijsel al af
    gevaeren is om hem te haelle so dat niet twij=
    =fele of hij is op wech, maert heeft deese weeck
    heel seer gestormt tot deesen dach toe en nu heeft
    hij vlack inde wint dat mij bekomert[, alsmeede niet]

    Een schip in volle zee bij vliegende storm, bekend als ‘De windstoot’, Willem van de Velde (II), ca. 1680. Collectie Rijksmuseum

    Amalia en Albertine Agnes

    Amalia van Solms, weduwe van Frederik Hendrik van Oranje, is ontzettend ziek. De doktoren hebben weinig hoop, schrijft Margaretha. De prinses van Oranje is verkouden, hoest en heeft aanhoudende koorts. Margaretha heeft ook nieuws over een andere prinses: Albertine Agnes van Nassau, de vrouw van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz. De prinses ‘wort verwacht’, aldus Margaretha.

    [in gesontheijt,] haer hoocheijt Mevrou de prinses
    van oransge1Amalia van Solms is, Etlijcke dagen herwaerts heel doot
    lijck kranck geweest ijae so dat de docktoore weij
    nich hoop vande leefve hebbe, veroorsaeckt wt Een

    groote verkoutheijt met hoest en kontiniweelle
    koorts en alledaech swaere verheffine van
    koorts die met koude aenkomt, de prinses van
    vrieslant2Albertine Agnes van Nassau, dochter van Amalia van Solma wort verwacht[, voort verlanckt me]

    Ziekte, dood en verderf in het leger

    Uiteraard besteedt Margaretha ook weer aandacht aan het oorlogsnieuws. Zoals altijd is de hamvraag: waar blijven de Duitse troepen? De gardes van de prins van Oranje begeven zich in ieder geval in Den Haag, het regiment van Van Ginkel te Gorinchem, dat van Jacob van Wassenaer Obdam te Amsterdam, van Frederik Hendrik van den Boetzelaer te Leiden en van Joan Teding van Berkhout te Rotterdam. Gelukkig bevindt zoonlief zich op het moment niet bij zijn regiment, want in Gorinchem zijn veel militairen aan de rode loop. In Holland staat alles onder water, waardoor wegen onbruikbaar zijn geraakt. Daarbij komt dat er bij Amsterdam door de zware wind een dijk is doorgebroken, waardoor veel ruiters te paard van de compagnie van Gerard Bernhard von Pöllnitz zijn verdronken. En er zijn nog meer doden te betreuren: de heer van Herne, Adriaan Reinhard van Reede, is aan de legerziekte gestorven. Margaretha vreest dat er nog veel meer militairen ziek gaan worden.

    [vrieslant wort verwacht], voort verlanckt me
    hier seer te hoore waer de duijtse troepees sijn
    de gardees van sijn hoocheijt legge hier inde haech
    het reegement vande heer van ginckel te gorckom
    dat van obdam3Jacob van Wassenaer Obdam te Amsterdam van lange
    =raeck4Frederik Hendrik van den Boetzelaer is noch te leijden ingenoomen, van
    slijdrecht5Joan Teding van Berkhout te rotterdam, daer over al groote
    quantiteijt van hooij en haver voor op gedaen
    is, men seijt te gorckom seer veel siecke aende
    roode loop is, het staet hier in hollant over al
    so int water datter geen weege sijn te gebruijck
    daer bij komt datter ontrent Amstendam
    door de swaere wint Een dijck is door gebroo
    =cke, waer door veel ruijters met haer paerde
    vande kompangi vanden heere penits sijn
    verdroncke sijn luijtenant dieder acht
    paerde heeft verloore seijtme dat het
    ontswomen is, de raetsheer rijxse swager
    vande burgemeester hamel koomende wt
    noortholland, is te Amsterdam naer twee
    dage sieck geweest te sijn gestorfve, de heer

    van herne6Adriaan Reinhard van Reede is ock in sijn garnesoen aen die leeger
    sieckte gestorfve, daer der veel aen legge, tis
    te vreese als de liede nu wat op haer rust
    koome datter noch veel sulle sieck worde

    Een ruiter met een grote hoed, Adam Frans van der Meulen. Collectie Rijksmuseum

    De goedertierenheid Gods…

    Gelukkig is Van Ginkel weer aan de beterende hand. ‘Wij konne godt niet genoech dancke dat onse soon so genadich daer tot noch toe is af gekoome’, schrijft Margaretha aan haar man. Er is ook goed nieuws over de ordinantie van Godard Adriaan: bij de Gecommitteerde Raden is last gegeven om 12.000 gulden aan Godard Adriaan over te maken. Margaretha zal het wel even gaan regelen: ‘als ick die heb sal sien daer gelt van te krijge’.

    wij konne godt niet genoech dancke dat onse
    soon so genadich daer tot noch toe is af ge
    koome so ick nu hoor van die bij hem in sijn
    swaerste sieckte is geweest was hij teene
    =mael buijten hoop van leefve, och hoe groot
    is de goedertienentheijt godts tot ons wae
    =ren wij maer danckbaer genoech, nu heb
    ick naer lan loope so vergekreechge dat
    ter bij de heere gekomiteerde rade last
    is gegeefve om ordinansi ter som van
    twaelf duijsent gul voor uhEd op te
    maecke als ick die heb sal sien daer
    gelt van te krijge[, en uhEd begeert volge]

    PS: Van Ginkel is thuis!

    Uit deze brief blijkt goed dat Margaretha meerdere dagen over een brief deed. Waar ze zich aan het begin van haar brief nog afvraagt wanneer haar zoon thuiskomt, schrijft ze in een post scriptum dat hij is thuisgekomen. Hij zegt zich goed te voelen, maar ziet er vervallen uit en is zwak: ‘De heere hoope ick sal hem sijn krachte en sterckte voort geefven’.

    opt sluijte van deese komt de heer van ginckel hier aen,
    die seijt hem wel te voelle maer sietter so vervalle wt
    dat men schrickt hem te sien is ock noch seer swack
    de heere hoope ick sal hem sijn krachte en sterckte
    voort geefven, sijn kamerlin is noch heel sieck mee
    hier

  • Haruut! De vijand is hier!

    DatumPlaats
    Geschreven2 januari 1673Den Haag
    Ontvangen13 januari 1673Bielefeld
    Lees hier de originele brief

    Margaretha en haar familie hebben 1672 overleefd maar de oorlog is nog niet voorbij. Margaretha’s vorige brief zat vol slecht nieuws: de vijand is een duister plan aan het smeden en ze heeft al weken niets gehoord van haar zoon. Zal 1673 een fortuinlijker jaar blijken dan 1672 of zakt de Republiek verder de rampspoed in?

    Ziekte van Van Ginkel

    De brief begint relatief goed: eindelijk hoort Margaretha weer iets van haar zoon! Ziekte teistert de familie zowel in Den Haag als in het verre Charleroi: zoonlief kon geen brieven schrijven omdat een flinke verkoudheid met koorts hem geveld had. De dokters zijn inmiddels langs geweest bij Van Ginkel en zij denken dat de ziekte voorbij het hoogtepunt is. Het gevaar is geweken. Haar zoon heeft veel geluk gehad: hij is niet de enige die getroffen is door ziekte in het Staatse leger. Meerdere hoge officiers zijn zelfs overleden hierdoor.

    Brieffragment ziekte Van Ginkel

    dat is dat de
    heer van ginckel volgens sijn schrijfve vande 27
    wt bruijsel en die vande heere vrijberchge1Cornelis van Vrijberghe beeter
    en volgens t oordeel vande docktoore sijn sieckte
    opt hoochste is geweest en buijte prijckel2perikel: gevaar weer
    was, daer wij godt niet genoech voor konne
    dancke, sijn sieckte is hem int leeger voor schar
    =leroij met Een viemente3vehement: stevig verkoutheijt en konti
    =niweele koorts aengekoome alsmeede den luijte –
    nant generael weldere4Johan van Welderen en den ritmeester de
    gruijter5Onbekend, die sijn hoocheijt door de graef van
    werfusee6Floris Carel van Beieren Schagen, graaf van Warfusé en 60 ruijters naer bruijsel liet
    brenge, daer weldere en de gruijter den darde
    dach naer datsij daer waere, sijn gestorfve
    so den heere vrijberge die schrijft onse soon

    Aderlating. Fragment uit Jacob Fransz. (ca. 1635-1708) en zijn familie in de chirurgijnswerkplaats, Egbert van (I) Heemskerck, 1669. Collectie Amsterdam Museum

    Dat Van Ginkel het overleefd heeft is aan twee zaken te wijten, schrijft Margaretha: gezond verstand en een goed gestel. Toen hij hoorde dat er al mensen overleden waren omdat ze geen rust namen heeft hij meteen verzocht om logement bij iemand in huis te nemen in plaats van verder te reizen naar het barre, koude legerkamp bij Charleroi. Het laatste nieuws wat Margaretha heeft gekregen over haar zoon is dat hij een aderlating ondergaan heeft. Hoe hem dit bekomen is, dat is nog wachten tot de dag van morgen.

    Brieffragment Van Ginkel in Brussel

    seer intstantelijck versocht te hebbe sijn loosgement
    in sijn huijs bij hem te neeme, het welcke hij Exk
    =useerde en in sijn herberch is gebleefve, seijt
    segge, de docktoore bij aldien de heer van ginckel
    niet Een bij sondere starcke natuer had ge=
    =hadt daer niet vande op soude gekoome hebbe
    hij is te bruijsel g Een Adergelaeten, nu ver
    lange wij seer naer den dach van mergen
    dat de bruijselse post komt om te hoore hoet
    nu is en hoet laeten hem is bekoome, [ijan sijn]

    Over het ijs!

    Helaas blijft het in deze brief niet bij enkel goed nieuws. Godard Adriaan krijgt eindelijk te horen welk vilein plan de vijand bekokstoofd heeft: doordat het zo hard gevroren heeft is de Hollandse Waterlinie stijf bevroren. De Franse troepen konden simpelweg over het ijs de Staatse troepen omzeilen. Holland lag wijds open! Zouden ze hun belofte om Den Haag te plunderen nu waar maken?

    Eerste brieffragment alarm in Den Haag
    Tweede brieffragment alarm in Den Haag

    [sieck tot bruijsel gebrocht was,] daer op kree
    chge wij snachts hier den alarm dat de vijant
    overt ijs van achteren bij boodegraef7Bodegraven was
    in gebroocke dat konins merck8Kurt Christoph von Königsmarck met sijn volck
    tot Alphee9Alphen aan de Rijn was gereetireert10retireren: terugtrekken, den r p fagel11Raadspensionaris Gaspard Fagel

    en andere heere die savonts te tien Eure deese tijdin
    al hadde en aenstonts derwaerts ginge, seekree
    teerde12secreteren: geheim houden het, [maer snachts ontrent Een Eur quam]

    Den Haag is in rep en roer. De hoge heren zijn al verdwenen uit de stad, zij hadden het nieuws schijnbaar al eerder. Er ontstaan weer volksoproeren en de burgers nemen het heft in eigen handen. Niemand mag de stad uit. Margaretha weet niet wat ze doen moet: ze lag al wakker met zorgen om haar zoon maar nu komen ook de Fransen ineens heel erg dichtbij.

    Derde brieffragment alarm in Den Haag

    maer snachts ontrent Een Eur quam
    der post op post, en ick die door de bekomerin van
    mijn soon niet kost slaepe, hoorde de klapper
    man roepe harwt harwt, daermeede, Elck
    ten bedde wt de burgerij in wapene de klocke
    op alde dorpe luijde alles was in sulcken roer
    dat het mij niet licht vergeeten sal, ick was
    meest met de vrou van ginckel en de kindere be
    komert en kostse onmoogelijck niet wech krijge
    de burgers oft kanaelgecanaille: gepeupel wilde onmoogelijck niet
    lijde13lijden: dulden datter Eimant wt den haech ginck, [het huijs]

    Gelukkig zet al snel de dooi in. Eindelijk lijken Margaretha’s gebeden om hulp vervuld. De Fransen moeten snel terugtrekken en moeten daarvoor langs de post van commandant Pain et Vin bij Nieuwerbrug. Alleen… hij blijkt gevlucht te zijn.

    De vraag op ieders lippen: hoe kon dit gebeuren? Waar was het Staatse leger toen ze eindelijk de Fransen de pan in hadden kunnen hakken? Weer is het Staatse Leger ineffectief gebleken tegen een Franse invasie.

    Eerste brieffragment terugtocht Fransen
    Tweede brieffragment terugtocht Fransen

    [schrijfve], doch moet noch segge dat godt almachtich
    ons op Een bijsondere manier sijn genade heeft ge
    toont door Een seer schielijcke14schielijk: snel en viemente doeij
    waerdoor den vijant niet voort noch te ruch en
    kost, en sonder dat pinevien15Moïse Pain et Vin, bevelhebber van het Staatse leger wat Bodegraven had moeten beschermen sijn post die hem aenden
    nieuwe bruch16Nieuwerbrug aen bevoolle was had verlaeten naer

    oordeel van alle mense had de vijant so beset geweest
    datter geen of weijnich van hadde konne koomen
    nu hout me voorseecker dat sij die post diese in hadde
    gehoude teenemael hebbe verlaete en weer na wt=
    trecht sijn, [men meent dat de komst van sijn hoocheijt]

    Franse wreedheden in Bodegraven en Zwammerdam in 1672, Romeijn de Hooghe. Collectie Boijmans Van Beuningen.

    Margaretha moet even alle stress en spanning kwijt bij haar liefste hartje. Hoe lang zal deze verwoestende oorlog nog doorslepen? Zal 2023 1673 eindelijk geluk, zege en voorspoed brengen? Voor de dorpelingen van Zwammerdam en Bodegraven is het al te laat: de gefrustreerde Franse troepen hebben de dorpen geplunderd en afgebrand op hun terugtocht. Zonder huis zullen zij deze killer winter moeten zien door te komen.

    Brieffragment klaagzang

    [de] heer almachtich wil ons bij staen en geefve wij in dit
    ijaer 1673 meer geluck seegen en voorspoet mooge
    hebbe alst voorleeden ijaer, so lange den vijant inde
    provinsi van wttrecht is sulle wij ingeen rust sijn
    maer met de Eerst vorst die wij alledage hebbe te
    verwachte alweer inde selfde alarm weese, tis seer
    droefvich te sien so hier ontrent alles geruwineert wort
    de plantaesge uijleboome de koekamp alle die boome
    sijn afgehouwe legge inde wech, de dorpe boodegraef en
    swamerdam sijn so af gebrant door den vijant datter
    geen ses huijse sijn gebleefve en voort al die streeck
    lans afgebrant, die schoone huijse, wat is dit Een ru
    wineusen oorlooch int hartge vande winter so veel mens
    verijaecht, och ons liefve vaderlant is wel in Een seer
    droefvigen staet, het Eene droefheijt komt mij opt
    ander en heb niemant dien mij raet heb van uhEd
    ock in so lan niet gehoort hoop het wel sal sijn, en dat
    de heer almachtich ons sal te hulpe koome op wien
    alleen betrouwe blijfve
    uhEd getrouwe
    M Turnor

    P.S. Toch geen verkoudheid?

    Zoals wel vaker voegt Margaretha aan het einde van haar brief nog recenter nieuws toe. Zo heeft ze net meer nieuws over haar zoon gekregen. Het schijnt dat hij niet enkel last had van een flinke verkoudheid maar ook van enige “belabbertheijt aen sijn tong”. Het klinkt alsof Van Ginkel door alle ontberingen een lichte beroerte heeft gehad. Haar moederlijke instincten ontwaken meteen: moet ze naar haar zoon toe?

    Brieffragment belabberdheid van de tong

    seijde dat hij beeter was maer
    Eenige belabbertheijt aen sijn
    tong hadt wisle wist niet
    te segge waer wt het selfve
    ont staet, dat mij nu weer
    nieuwe bekomeringe geeft
    vreesende het Een nieuwe
    toe val sal sijn daerom ick
    seer beducht ben niet weeten 
    de wat ick doen sal of daer
    nae toe gaen of niet gaen
    ick souder konne bevriese en
    niet weeten hoe weerom te koo
    =men, sal de post van merge
    afwachte, daer seer nae verlan

    P.S. Gelukkig nieuwjaar!

    Margaretha mag Kerst dan wel negeren, voor het nieuwe jaar is ze niet blind:

    Brieffragment gelukzalig nieuwjaar

    ick wensche uhEd hiermeede Een
    geluck salich nieuwe ijaer met
    meerder rusten minder sonde
    te beleefve,

    Een gelukzalig nieuwjaar met meer rust en minder zonde…

  • Een belegering in de winter

    DatumPlaats
    Geschreven22 december 1672Den Haag
    Ontvangen12 januari 1673
    Lees hier de originele brief

    In haar vorige brief had Margaretha een brief van Welland opgenomen. Welland had geschreven dat de Spanjaarden met Frankrijk gebroken hadden. Oftewel: de Spanjaarden zouden officieel partij hebben gekozen voor de Republiek en zelfs al een offensief en defensief verbond gesloten hebben. Goed nieuws! Of toch niet?

    Het beleg van Charleroi

    Helaas blijkt ook het nieuws over het verbond met Spanje te goed om waar te zijn. Maar het is ‘abuijs en so breet niet’, aldus Margaretha. Hoewel Spanje nog niet officieel met Frankrijk gebroken heeft, lijken de Spanjaarden wel op de hand van de Republiek te zijn. Margaretha weet te vertellen dat de Spanjaarden Charleroi berend hebben! De stad is in handen van de Fransen en wordt gebruikt als bevoorradingsplaats voor het Franse leger. Charleroi veroveren… Wat zou dat een mooie opsteker zijn voor de Republiek, zo aan het eind van het jaar! Prins Willem III heeft zich inmiddels met een deel van het Staatse leger bij de Spanjaarden gevoegd. Dat is goed nieuws! Of toch niet? Margaretha spreekt haar vrees uit. Ze gelooft dat ‘deese plaats seer veel volck sal koste’: de gouverneur van de vesting zal Charleroi tot de laatste man willen verdedigen…

    Mijn heer en lieste hartge
    met mijne laeste heeft de heer van wellant1Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha uhEd ge
    =schreefve dat de spaense tegens vranckrijck gebroo
    cke en met ons Een liege garantij offensijf en de=
    fensijf soude gemaeckt hebbe2Een offensief en defensief verdrag het welcke hem wt
    Maestricht geschreefve is, doch tis abuijs en so breet
    niet, maer wort geseijt hetselfve op goede voet te
    staen, dat de spaense scharleroij berent hebbe en
    sijn hoocheijt voort met sijn leeger daer bij is gekoome
    is waer, en dat hij voorleede sondach Een kontersch
    =erp3Conterscherp/Contrescarp: een talud aan de buitenzijde van een (vestinggracht) in had hout men ock seecker, en dat de gouver=
    =neur van scherleroij die bine tongere was met 60
    man door Eene senisterheijt4Van sinister/sinisterlijk: op slinkse wijze is inde stat gekoome
    staet mij niet aen, hij is so geseijt wort Een vande
    braefste5Dapperste/moedigste offisiers die int fransen dienst is
    ick en veel wijse liede vreese deese plaets seer
    veel volck sal koste om dat dien gouverneur het
    tot de wtterste toe sal wille deffendeere [, al mijn]

    De vesting te Charleroi, veroverd door de Fransen of Munstersen, Gaspar Bouttats, 1672. Collectie Rijksmuseum.

    Kou

    Is het wel een goed idee om nu aan een beleg te beginnen? Het is ontzettend koud: ‘Mensen moete van koude vergaen en doot vriesen’, uit Margaretha haar zorgen. Zo koud is het in jaren niet geweest de wateren zijn reeds bevroren. Wat zal er gebeuren als het Franse leger de weersomstandigheden ten volle benut? In Utrecht verwacht men dat de Fransen nog dit jaar van plan zijn om Holland binnen te vallen. Margaretha hoopt dat de Heer almachtig het kwade voornemen van de vijand wil beletten en de inwoners van Holland voor een overval wil bewaren. Toch bereiden de Hollanders zich voor op het ergste: met degens, roers (vuurwapens) en bijlen. Maar in hoeverre zal dit helpen wanneer God verhoedde de Fransen aanvallen? Margaretha is niet erg hoopvol: iedereen zal alleen zijn eigen huis beschermen, en de rest aan de vijand overgegeven.

    harde en felle weer, och ist nu tijt om beleegerin
    te doen de mense moete van koude vergaen en doot
    vriesen ock ist onmoogelijck datse met Een schop of spae
    inde aerde konne, tis hier so fel en scherp kout als ick
    in Eenige ijaere beleeft heb al de watere legge toe
    men schrijft wt wttrecht datse daer noch starck
    voor hebbe dit saijsoen te wille waerneeme en in hollant
    te wille koome, de heer almachtich wil haer quaet
    voorneeme belette en ons voor Een overval be=
    waere men sit hier in groote vrees, alde burge
    =rij en de sepooste is aengeseijt haer met Een deege
    Een roer en Een bijl gereet te houde maer als
    der op aen sou koome dat godt verhoede wil
    wat sout helpe Elck sou naer sijn Eijgen huijs
    loope en de rest ten beste geefve[, de griffier fagel]

    Soldaat die zijn roer op zijn schouder draagt, Jacob de Gheyn (II) (atelier van), naar Jacob de Gheyn (II), ca. 1597 – 1607. Collectie Rijksmuseum.

    Geld

    Gelukkig valt er ook nog iets positiefs te melden: griffier Hendrik Fagel de broer van raadpensionaris Gaspar Fagel heeft aangegeven bezig te zijn een nieuwe rustwagen voor Godard Adriaan te regelen. Hendrik heeft tevens, op verzoek van Margaretha, zijn broer gesproken over de betaling van de ordinantie. Maar de kasteelvrouwe verwacht niet dat de raadpensionaris zich aan zijn woord zal houden. Vervolgens begint Margaretha over de Staten van Holland. Er sijpelt sarcasme door in haar woorden: de Staten van Holland hebben eindelijk door dat de militie in dit weer niet zonder geld kan. Er zijn verbeteringen doorgevoerd waardoor de soldij voortaan op tijd betaald wordt.

    [loope en de rest ten beste geefve,] de griffier fagel
    heeft mij doen segge beesich te sijn met het
    versoeck tot Een rustwage voor uhEd geloof hij
    daer toe al konsent heeft bekoome, o ock dat hij
    den heer r p fagel op mijn versoeck heeft ge
    sproocke weegens de betaeline van beijde uhE
    ordinansie die hem belooft heeft mij deese
    weeck kontentement te doen hebbe so hij woort
    hout salt heel goet sijn maer hij heeft het so dick
    mael en so lan belooft dat icker geen staet op

    kan maecke, men heere de state van hollant beginne
    nu te dencke dat haer meliesi in dit weer niet
    sonder gelt konne sijn, hebbe die voorsienine ge
    daen dat al haer meliesie betaelt wort
    tot dees loopende maent en de ordinansie die
    in dees maent vervalle sijn sullense laete
    loope sonder op te maecke deese maent wt en die
    tot den leste deesem in kluijs op maecke en betaelle
    en dan voortaen alle maent voort pront betael
    dat wel Een goede saeck sal sijn[, maer de track]

    Ziekte en beterschap

    Godard Adriaan moet ongerust zijn geweest toen hij de woorden van Margaretha las. In haar brief van 22 december schrijft ze dat ze een aantal dagen last heeft gehad van ‘een seer swaere defluxsi op de halfve sijdt van mijn aensicht en tande’. Ook had ze ontzettende hoofdpijn, vond ze zichzelf niet om aan te zien, was haar oog gezwollen en had ze rode plekken rond haar mond. Waarschijnlijk had ze last van een huidinfectie door stafylococcen (mogelijk streptokokken). Een combinatie met gordelroos (vaak getriggerd door een andere aandoening of verminderde weerstand) is ook mogelijk. Gelukkig is Margaretha ten tijde van het schrijven van de huidige brief weer aan de beterende hand. Met Reijniera gaat het ook stukken beter, maar nu begint Antge weer uitslag te krijgen. Gelukkig is het kindje er (nog) niet ziek van. Margaretha zou niet weten wat ze moet doen als ze zou moeten vluchten. In de kou, met de zieke kinderen…

    [te bedancke,] ick heb Ettelijcke dage Een seer
    swaere defluxsi op de halfve sijdt van mijn
    aensicht en tande met Exstreeme pijn int
    hooft gehadt ijae so dat ick niet toonbaer ben
    mijn Een ooch is bij naest toe sien maer met
    het Een ooch so is die sij geswolle en rontom mijn
    mont met viericheijt wt geslage, met de roos aent
    geswolle ooch, dant hart is de heer sij gedanckt
    gesont nu de pijn over is weet ick niet waer ick
    ben , het kint raniertge is haest weer wel maer
    nu begint Antge weer wt te slaen doch isser
    sonder lin niet sieck van hoop het maer wint
    of steenpockges sulle sijn, gist dat wij Eens
    met dit harde weer moste vluchte sou niet weete
    hoe ickt met de siecke kinderen sou maecke, de
    heer hoope ick salter niet toe laete koome[, gistere]

    Het laatste nieuws

    Margaretha sluit haar brief af met slecht nieuws uit Amerongen. Uit een brief van de secretaris heeft ze vernomen dat er vorige week vier doden zijn gevallen. Tot overmaat van ramp is de predikant, Keppel, ook nog eens ziek…

    In een Post Scriptum voegt Margaretha nog toe dat ze hoopt snel iets van Van Ginkel te horen. Ook is ze benieuwd naar het verloop van het Beleg van Charleroi en wil ze graag weten waar Godard Adriaan van de winter zal verblijven. Daarna volgt het allerlaatste nieuws over het Beleg van Charleroi, afkomstig uit de brieven uit Maastricht. Maar men weet niet meer wat waar is. Er wordt zo veel gelogen, het is een schande…

    ons verlanckt seer hoet met de heer van ginckel
    is en hoet met scharleroij staet, ock waer uhE
    noch sijn winter quartier sal hebbe dat nu
    wel tijt wort[, men is hier noch blijde dat de gou]

  • Koning Winter

    DatumPlaats
    Geschreven19 december 1672Den Haag
    Ontvangen3 januari 1673Bielefeld
    Lees hier de originele brief

    Waar is de prins? Margaretha heeft er op dit moment geen zekerheid over. Waarschijnlijk omdat de post (en daarmee het nieuws) op zich moeten laten wachten vanwege het vreselijke weer. Het laatste nieuws is dat Willem III met zijn leger voorbij Tongeren was en nabij Sint-Truiden – vijf uur van Maastricht vandaan.

    Koning Winter blijft

    ‘Het friest hier fel en is seer scherp kout’ – een omschrijving die ook anno nu in het weerbericht te lezen valt. De binnenwateren zijn dichtgevroren, waardoor er geen schepen meer varen. Margaretha kan er niet van slapen. ’s Nachts in bed bekommert ze zich enorm om de situatie. Ze merkt dat er weer veel onrust is onder de bevolking, en mensen hun spullen wederom pakken om te kunnen vluchten als het nodig is. Terwijl ze óók hoort dat er juist géén nood aan de man is. En juist die twijfel en ordeloosheid is wat Margaretha het meest deert. Er is zo weinig zekerheid, alles loopt ‘so los’ zonder dat er enige ‘konschope’ is, ofwel: geen feiten, alleen maar geruchten.

    Brieffragment over angst vorst

    het friest hier fel en is seer scherp kout alde
    binne watere legge toe datter geen schuijte
    meer en vaere, en hier veel met groote bekom
    merin snachts op t iens bedt doet ruste, hier hebbe
    alweer veel liede haer goet gevlucht, hoewel
    weer somige segge dat wij geen hier vande vijant
    geen noot en hebbe, maer wat sal ick segge dat
    mij t meest bekomert is datter so weijnich ordere
    is en dat men der op alles so los overloopt sonder Eenige
    konschope1Kondschap: benaming voor feit, toestand (kondschappen zijn berichten) te hebben [,de heer wil ons bewaere op mense]

    Alliantie en arme soldaten

    Margaretha verbaast zich erover dat haar man niets weet van een alliantie met de Keurvorsten van Trier en Mainz. Ze schrijft over de Zweedse Ambassadeur en over haar ongeloof in een vrede die mogelijk zou kunnen naderen. Hierdoor glijden haar gedachten richting de arme soldaten die nu onder de koude, blauwe hemel op schildwacht moeten staan.

    Ets van een tentenkamp met links op de voorgrond een groep converserende soldaten, rechts soldaten zittend op de grond bij afgeschermde kookhoek.
    Soldaten bij een kampement, Robert van den Hoecke, 1632 – 1668, collectie Rijksmuseum

    Inflatie

    En hoe staat het er economisch voor? Alles is hier ‘onuitspreeckelijck’ duur. De mensen worden met de dag armer en de producten met de dag duurder. Voor een mandje met wortels dat voorheen 6 stuivers kosten, heeft Margaretha nu 1 gulden moeten betalen. Ook de prijzen van stro zijn verdubbeld. Ze let weliswaar zeer op haar centen, maar toch blijven de uitgaves per week enorm.

    Brieffragment over inflatie

    is, en alles is hier onwtspreeckelijck dier Een
    mandeken met wort ele dat me voordees voor
    6 stuijver plach te koope heb ick Een gul voor
    moete geef ve, Een voer stroij daer 4f voor plach
    te geefve kan men nu voor geen acht gulde
    krijge en so voort alles naer venant, hoe
    nau en deun ick alles over leg moet ick alle
    weeck veel gelt wtgeefve, het siecke vande kinder
    en oude mense heeft al meede veel gekost, frits

    Schilderij. Stilleven met vruchten en groenten met op de achtergrond Christus en de Emmaüsgangers. Op de voorgrond van een keuken liggen allerlei soorten groenten (asperges, tuinbonen, erwten, wortels, artisjokken, komkommers, bieten, een pompoen, groene kolen, uien en rapen) en fruit (appels, kersen, kruisbessen, abrikozen, peren, bessen, frambozen en druiven), in manden uitgestald. In de keuken zijn twee meiden aan het werk. Daarachter is door opgehaalde gordijnen het bijbelse tafereel te zien.
    Stilleven met vruchten en groenten, Floris van Schooten, ca. 1630, collectie Rijksmuseum

    Gepokt en gemazeld

    Dat Margaretha een hele ziekenboeg moet verplegen, helpt uiteraard ook niet mee. Gelukkig nieuws is dat Frits weer beter is, en de pokken heeft kunnen ontwijken. Maar het jongste kind (Reijniera) heeft ze wel te pakken gekregen, hoewel zij er niet heel ziek van is geworden.

    Brieffragment gepokt en gemazelde kinderen

    (frits)

    is weer wel en heeft geen pockges gehadt, maer het
    kleijnste kint reijniertge isser aen doch almee
    so wij hoope het quaetste doer de pocke staen
    al heel licht en sweere heeft er niet veel en isser
    niet heel sieck aen geweest, hadden de kindere ge
    maeselt so waert goet maer te pocke Eersij
    gemaeselt hebbe seijtme dat sij se wel licht
    weer krijge, alst godt belieft kanse voor alles
    bevrijde [onse Neef van rossom die hem tot]

    Ets van een vrouw naast bed met ziek kind.
    Vrouw naast bed met ziek kind, Fridolin Becker, 1840 – 1895, collectie Rijksmuseum

    Winterkwartier

    Onze schrijfster is benieuwd waar Zijne Hoogheid eigenlijk kwartier zal maken, nu Koning Winter duidelijk niet van plan is zich koest te houden. Ze vreest dat wanneer er geen goede plek wordt uitgekozen, het leger de moed zal verliezen. De mannen van het leger zijn deze zware afmattingen immers niet gewend. Onrust over een eventuele aanslag op het huis blijft natuurlijk ook niet onvermeld in deze brief.

    Tot slot wat positiefs, Margaretha is heel blij dat de brieven nu eindelijk weer goed aankomen, twee maal per week mag ze een brief van haar man ontvangen – tot haar grote geluk.

  • Vrede of vechten?

    DatumPlaats
    Geschreven8 december 1672Den Haag
    Ontvangen
    Lees hier de originele brief

    De ordinantie is nog steeds niet binnen. Margaretha vraagt zich af wat de intenties van raadpensionaris Fagel zijn. Waarom houdt hij haar zo lang op en vertelt hij niet waar het aan schort? Het enige wat de raadpensionaris haar verzekert, is dat hij snel zal betalen…

    met de laeste post heb ick uhEd Een meemoorije1Memorie: financieel overzicht vant
    geene ick seedert deselfs vertreckt heb ontfange
    en wtgegeegve, de bekende ordinansie 2verordening heb ick noch 
    niet kan niet dencke wat den heere r pensionaris 3Raadpensionaris Gaspar Fagel
    intensie is dat hij mij so van dach tot dach op hout
    sonder te segge waert aen hapert maer verseeckt kert gestadich dat hij mij die sal bestelle [, de]

    Geld voor Van Ginkel

    Maar er zijn nog meer geldzorgen. Margaretha’s zoon heeft moeite geld voor zijn compagnie of regiment te ontvangen; de betaling loopt inmiddels drie maanden achter! Maar Van Ginkels mannen zijn niet de enigen die klagen; de hele militie wordt slecht betaald. Margaretha hoopt dat het snel zal verbeteren. In ieder geval moet eerst orde op zaken worden gesteld. In Den Haag was men al bezig om de financiën – die volgens Margaretha onder Johan de Witt ‘in het verloop waren geraakt’ – in orde te brengen.

    [kert gestadich dat hij mij die sal bestelle,]
    de heer van ginckel kan ock geen betaelin voor 
    sijn kompangi of reesgement krijge is bij de 
    drije maende ten achtere, de ruijters konne 
    niet wachte so dat hij int verschot moet sijn 
    doch hij ist niet alleen de heelle meeliesie klaecht 
    seer van quade betaeline, wij moete hoope dat 
    Eens beetere sal men heere van hollant sij bee 
    =sich om ordere op haere finansie die bij den 
    oude r p de wit4Raadspensionaris Johan de Witt teenemael int verloop is ge 
    raeckt te stelle, so geseijt wort ist op Een 
    goede voet, [maer aldewerlt klaecht seer over]

    Kaartspelende soldaten, Cornelis Bloemaert (II), naar Abraham Bloemaert, na ca. 1625. Collectie Rijksmuseum.

    De wapenen neerleggen, of opnemen?

    Van het leger van de Prins van Oranje heeft Margaretha sinds haar laatste brief niets meer gehoord. Hij schijnt zich met zijn leger ergens rond de Roer op te houden. Ook van de vloot is er geen nieuws. Wel zijn de Zweedse ambassadeurs inmiddels gearriveerd. Zit er dan toch een vredesverdrag aan te komen? Margaretha heeft vernomen dat de ambassadeurs een wapenstilstand zullen gaan voorstellen. Maar is dat wel zo’n goed idee? ‘De wijste lieden oordelen dat wij de vrede met de wapenen in de hand behoorden te maken’, aldus Margaretha. Vechten tot de laatste man, geen wapenstilstand!

    Een goede vreede wwas ons wel nodich maer
    de wijste liede oordeelle dat wij de vreede
    met de wapenen inde hant behoorde te maecke
    en geen stilstant van wapenen hoore toe
    te staen[, men seijt tot wttrechten die proo]

    De komst van de Zweedse ambassadeurs staat ook in de Oprechte Haarlemse Courant van 10 december. De heren extra-ordinaris Zweedse ambassadeurs worden vanuit Rotterdam verwacht in Den Haag. Of ze echt een publieke intrede zullen doen, weet men nog niet. Men zegt dat ze zullen logeren in het huis waar de Franse ambassadeur gewoond heeft.

    Bericht uit de Oprechte Haarlemse Courant van 10 december 1672 over de Zweedse ambassadeurs. Via Delpher.nl

    Een brief van de koning

    In Utrecht zijn brieven van de Franse koning verschenen. De koning eist niet alleen dat de opgelegde som geld tot op de laatste stuiver wordt betaald, maar dwingt de Utrechtenaren ook nog eens 1600 bedden te regelen.

    [te staen,] men seijt tot wttrecht en die proo
    =vinsie brijefve vande koninck van vranckijk
    sijn gekoome met last dat sij daer de ge=
    =Eijste som tot Een stuijver toe soude doen
    betaelle, daeren boove Eijschen sij noch
    1600 bedde daer van 300 inde buerkerck
    tot behoef vande siecke soude geleijt worde

    Turenne, Condé en de keurvorst

    Margaretha verlangt zeer naar de brieven uit Duitsland en Maastricht. Ze is niet de enige. Iedereen wil weten of het leger van de keurvorst van Brandenburg de Rijn al is gepasseerd. Waarom is het Brandenburgse leger nog niet slaags geraakt met de Franse troepen? Er gaat geruchten rond. Margaretha gaat niet in op de inhoud van de geruchten, maar het heeft er alle schijn van dat veel onderdanen geen hoge pet meer op hebben van de keurvorst. ‘Men kan alle mensen de mond niet stoppen’, schrijft Margaretha. Wat kan de kwalijk sprekers het ongelijk bewijzen? De Brandenburgse generaal-majoor Wolfgang Ernst von Eller zu Laubach is in elk geval goed bezig: hij heeft in Münster veel buit gemaakt. ‘Altijd een goed teken’, vindt Margaretha. Ze hoopt dat de keurvorst hetzelfde zal doen en dat dit de kwaadsprekers de mond zal snoeren.

    [duijster te leesen,] en men kan alle mense
    de mont niet stoppe, dat den heere Eller 5Wolfgang Ernst von Eller zu Laubach
    int sticht Munster so ageert en sulcken buijt 
    maeckt is, altijt Een goet teijcken hoope 
    de keurvorst het ver met sijn volck ver=
    volchge sal en daer door de qualijck 
    spreeckers den mont stoppe, [onse tietge]

    Gravure van de stad Münster, op de voorgrond staan mensen, nonnen, bepakte ezels en schapenhoeders. Je ziet duidelijk de verdedigingswerken, de stadsmuur en alle torens binnen de stad.
    Panorama van Münster, Pieter Nolpe, naar Johannes van Alphen, 1648 – 1653. Collectie Rijksmuseum.

    Het thuisfront

    Tietge is weer helemaal beter. Met Fritsje valt het gelukkig ook allemaal mee. In haar brief van 5 december schreef Margaretha nog dat het jongetje de pokken leek te hebben. Gelukkig blijkt hij niet besmet te zijn; het was slecht een maagkoorts (waarschijnlijk een buikgriepje).

    Wederom krabbelt Margaretha iets op het papier als ze haar brief al heeft afgesloten. Dit keer geen oorlogsnieuws, maar nieuws over de stad die ze nog niet zo lang geleden verlaten heeft: in Amsterdam is een stuk van de stadswal omvergevallen. Gelukkig zijn de reparatiewerkzaamheden al in volle gang.

    te Amsterdam
    is Een stuck vande 
    stats wal om 
    veerge valle het 
    welcke weer opgemaeckt wort

  • Pokken, zwijgen en de galg

    DatumPlaats
    Geschreven24 november 1672Den Haag
    Ontvangen29 November 1672Rüsselsheim
    Lees hier de originele brief

    Margaretha schrijft een lange brief aan haar man. Hopende dat ook deze maar op tijd aan komt.

    De Ziekenboeg 2.0

    Ze deelt eerst maar het laatste nieuws over de ziekenploeg: eindelijk gaat het beter met de heer van Welland. Of nou ja, de man zelf blijft nog wel veel op zijn kamer en laat de dokter nog om de dag komen. Maar ondertussen eet en slaapt hij wel goed. Margaretha’s oordeel is dus: beter. Zou zij de eerste vrouw zijn geweest die tussen de regels door over een Man-Flu spreekt?

    Tietge maakt het ook enigszins beter, godzijdank. Haar handen zitten onder de pokken, waardoor het pijnlijk is iemand aan te raken. Maar ergens is dat fijn, want Margaretha is als de dood dat Tietge de andere kleinkinderen zal besmetten.

    de heer van wellant is mijns oordeels wel hoewel hij
    noch sijn kamer hout, hij staet seer opt segge vande
    docktoor die alledaechge en om den anderendach bij
    hem komt, hij Eet wel en slaept wel, onse liefve
    tietge is tot noch toe gesont van harte dan daer is so
    lange de neege dage niet voorbij sijn niet van te
    segge, sij is op haer hande van binne en van buijte
    so wtneemende vol pockges datse niet te sien sijn
    staen heel als Een lichte sweer int aensicht ist
    reedelijck ock so aentlijf maer is so vol pijndat
    mense niet kan aenraecken, [de heere wil haer]

    De politiek praat en de politiek zwijgt

    Uitzoomend naar de landelijke politiek: er is nog steeds geld gebrek voor de oorlogvoering. Zeeland betaalt niet, Friesland weinig en Groningen kan niks geven. Het komt dus op Holland aan. De heer van Ginkel schrijft dat de ruiters die op mars zijn al drie stuivers voor een kan water moeten betalen.
    Men begint nu hier te geloven dat Zijne Hoogheid en zijn leger eindelijk bij de keurvorst zal worden gevoegd. Maar Margaretha bidt er op los, ze durft het bijna niet te schrijven, maar ze ziet het allemaal zeer droevig in. Ze schrijft dat zelfs ‘de wijste en verdienste’ wonderlijke gedachten en speculaties hebben over de komende tijden. Margaretha schrijft die gedachtes maar niet op, dat durft ze ‘de pen niet te vertrouwe’. Helemaal niets opschrijven vindt Margaretha ook niet wenselijk, ze wil haar man toch wel enigszins op de hoogte houden van het gesmiespel in het land.

    Vertellen van een geheim, Noach van der Meer (II), naar Jacobus Buys, 1778 – 1785. Collectie: Rijksmuseum

    Nog geen ijs

    Van wonderlijke speculaties springt ze naar het weer. Het is een opluchting dat het weer nog zo goed blijft en dat het nog niet aan het vriezen is geslagen. Want zodra het ijs er ligt…

    [om gaet en watter al geseijt wort,] wij sijn geluck
    =kich dat hier noch so open weer blijft soot Eens be
    =gint te vriese ent ijs leijt salmen hier seer be=
    komert voor Een overval sijn, deen seijt dat den
    vijant het ooch noch seer op Amsterdam heeft en
    andere dat se hier Een roof sulle soecke te hae
    =lle insoma1In somma: kortom men weet niet wat men best doen
    sal, [ick raede de vrou van ginckel het gaen]

    Dat brengt haar ook weer bij een ander zorgenkind: Ursula Philippota praat nog steeds over een vertrek naar Gelderland. Ook andere dames spreken van een vlucht. Maar het blijft onzeker waar de vijand het eerste zal toeslaan zodra het water van de waterlinie in ijs is veranderd. Zucht, ze weet ook niet wat ze moet, en legt het daarom maar voor aan haar man, hopende op zijn wijsheid.

    Gezicht aan de Vecht, Abraham Rutgers, ca. 1682 – ca. 1699. Collectie: Rijksmuseum

    Galgje spelen bij de Dom

    Ondertussen zijn er geruchten uit Utrecht. Het lijkt erop dat Luxemburg van plan is te vertrekken, waarna hij vervangen zal worden. En er schijnt ook een hoop tumult te zijn onder de burgers van de stad. Ze keren zich fel tegen een aantal regenten en verbeelden wellicht iets te visueel hoe ze tegenover het lot van deze regenten aankijken. Voor de Dom(kerk) en op andere plaatsen hebben ze een grote galg geschilderd en daaronder de namen van de zeven regenten geschreven. Margaretha vindt het vreselijk dat ‘die mensen noch niet getemt sijn en so oproerich blijve’.


    Na deze visuele beschrijving sluit ze haar brief af.