Tag: Predikant Keppel

  • De olifant in de kamer

    DatumPlaats
    Geschreven3 maart 1673Den Haag
    Ontvangen10 maart 1673Minden
    Lees hier de originele brief

    De brief die Godard Adriaan op 10 maart 1673 ontvangt is een lange brief. Maar Margaretha heeft ook veel te vertellen, ook al is er sinds haar vorige brief niet veel meer duidelijk geworden over Kasteel Amerongen. Het doet haar ‘vande gront mijns harte leet’ dat ze haar man, die in grote onzekerheid in het Duitse Minden verblijft, geen duidelijkheid kan verschaffen over zijn have en goed. Maar zodra ze nieuws heeft, begint ze van alles te regelen: typisch Margaretha.

    Niks, noppes, nada

    Niemand schrijft over de reusachtige olifant in de kamer: de vermoedelijke brand van het kasteel. Geen woord. Geen letter. Noch uit Utrecht, noch uit Amerongen. Margaretha wordt door eenieder volledig in het ongewisse gelaten.

    Brieffragment over niets horen

    [kontiniweert] en nochtans schrijft mij noch van
    wttrecht noch van Ameronge niemant Een woort
    daer over ick mij niet genoech kan verwonderen
    wat en aen wien ick schrijf krijch niet Een letter tot
    Antwoort heb aende preedikant kepel1Dominee Bernhard Keppel aen weesel2Abraham van Wesel aende
    seekreetaris3Secretaris Van den Doorslagh geschreefve en hoor van niemant Een woort

    Van horen zeggen

    Via via heeft Margaretha toch enige snippertjes informatie kunnen bemachtigen. In een brief uit Amsterdam leest ze dat Jan Evertsen, de zoon van Evert Jansen, die in Amerongen woont, heeft geschreven dat kasteel Amerongen volledig is afgebrand. Ook de voorburcht zou de Franse vernielzucht niet overleefd hebben. Enkele andere gebouwen, waaronder het huis van de hovenier en de woning van Teunis Huijbertse, konden gespaard worden. Nu móét Margaretha de onheilstijdingen wel geloven… De olifant in de kamer blijkt een olifant in een porseleinkast te zijn, en hij draagt een Frans uniform.

    Brieffragment van horen zeggen

    onsen drost van kleef schrijft mij van Amsterdam
    dat ijan Evertse de soon van Evert ijansen die tot Ameronge
    int santvoort4Zandvoort is nog steeds een straat in Amserongen, vlakbij het kasteel woont hem van daer
    schrijft dat ons huijs te Ameronge met het voor
    burch teenemael is afgebrant, dat sij het huijs
    van joost van omeren den hoofeniers huijs teunis
    huijbertsens huijs ent huijs van den drost ock wilde
    aensteecke maer dat sij dat met twintich rijxsdal
    hebbe afgekocht, sonder dat hij verdere pertikulierij
    =teijte schrijft, nu moet ickt geloofve en kan niet
    segge hoe bedroeft ick ben , [de heer van ginckel sal]

    Tekening van een olifant als een dikke man in (Frans) uniform. Hij heeft een krullenpruik op met een grote hoed. Hij draagt een jas met grote manchetten, die open hangt. Om zijn middel een riem met daaraan een zwaard. In zijn rechterhand houdt hij een speer.
    Dierensatire, Egbert van Heemskerck (II), 1674 – 1744 (detail). Collectie Rijksmuseum

    Typisch Margaretha

    Maar Margaretha zou Margaretha niet zijn als ze niet meteen ook van alles begint te regelen. Tuurlijk, ze is bedroeft, maar ze heeft inmiddels ook al weer contact opgenomen met de Prins van Oranje en ze is tevens bij griffier Hendrik Fagel en diens broer raadpensionaris Gaspar langs geweest. Hoewel ze het niet met zoveel woorden schrijft, is het evident dat het over de vergoeding voor het afgebrande huis in Amerongen gaat. Veel kan ze daar verder nog niet over schrijven, want ze moet eerst weten wat er precies vernietigd is. Hebben de plantages de Franse vernielzucht overleefd? Margaretha regelt ook maar meteen dat er een speciale bode richting Amerongen wordt gestuurd om inlichtingen te verzamelen. Was Godard Adriaan maar thuis… Helaas lijkt her erop dat dat die hoop inmiddels vervlogen is.

    Brieffragment reactie Willem III op brand
    Brieffragment over verdere informatie

    [=teijte schrijft, nu moet ickt geloofve] en kan niet
    segge hoe bedroeft ick ben, de heer van ginckel sal
    uhEd schrijfve het beleeft en siviel antwoort dat
    sijn hoocheijt hem op dat subijeckt heeft belast aen mij
    te segge, dan dit sijn maer tot noch toe maer woorde
    wil hoope het Efeckt daer op sal volgen, ick ben
    ock bij den heer griffier fagel geweest hebt hem ock

    bekent gemaeckt die aengenoome heeft den heere rp
    daer over te spreecke, verder kan ick hier niet in
    doen voor dat ick al de pertikulaerijteijte weet, ock
    hoet met de plantaesie staet ofse die ock hebbe
    gehouwe, of onbeschadicht gelaeten , den Espresse
    die de heer van ginckel naer Aernhem heeft ge
    sonde heb ick gelast op Ameronge aen te gaen
    en hem op alles te informeere , ick wenste wel
    uhEd nu hier waert dan sien daer voor Eerst
    geen hoop toe gelijck uhEd wt het schrijfve vande heer
    van ginckel sal sien, [kost deselfve noch met den]

    Tekening van een man met lang krullend haar. Hij heeft een befje om en een cape over zijn schouder. Hij buigt bescheiden. Hij heeft zijn hoef in zijn rechterhand en met zijn rechterhand overhandigt hij een brief. Voor hem staat een hondje (King Charles Spaniel?) blij te springen.
    Bode brengt een brief, Jan van Somer, 1655 – 1700 (detail). Collectie Rijksmuseum

    Bijzondere haat

    Margaretha is nog net zo bezorgd of die Acte van garantie wel iets waard is als in september. Om haarzelf moed in te praten schrijft ze maar dat het huis wel in brand gestoken moet zijn vanwege een specifieke haat van de Fransen jegens Godard Adriaan. Bij niemand treden de Fransen immers zo rigoreus op? Van Johan van Reede van Renswoude hebben de Fransen bijvoorbeeld 2000 gulden geeist, maar hij heeft niet betaald. En er gebeurt niets…
    Neef Hieronymus van Tuyll van Serooskerken, de heer van Wulven, is voor 6000 gulden aangeslagen. Hij wordt er van verdacht zijn spullen ergens verborgen te houden of te hebben ingemetseld. Hij heeft zijn hele huis leeggehaald en heeft niet eens meer een bed om op te slapen! Tot overmaat van ramp schijnen de goederen in Zeeland ook geconfisqueerd te zijn. Terwijl ze het zo opsomt realiseert ze zich dat hij er ook wel ellendig aan toe is. Gelukkig is er een klein lichtpuntje voor hem: het gaat met zijn vrouw iets beter

    Brieffragment over de anderen die het minder zwaar (lijken) te hebben.

    [salt wel moete overlegge,] tis seecker dat sij dit
    wt Een pertikulijere5Particuliere: bijzondere, specifieke haet die sij teegens uhE
    ten opsichte van sijn komissie hebbe gedaen, want


    niemant so rijgereus getrackteert wort den heere van
    rhijnswou6Johan van Reede van Renswoude hebbense 2000 f geEijst de welcke hij niet
    gegeefve heeft en niet weer om aengesproocke wort,
    den heer van wulfve7Neef Hieronymus van Tuyll van Serooskerken wort weer op nieu 6000 f
    geEijst om dat hij Eenich van sijn Eijgen goet ver
    burge of Eiwers8Iewers: ergens in gemetselt heeft, en hebbe
    al sijn meubelen so deeger9Deger: geheel, volkomen wt sijn huijs gehaelt
    dat hij niet een bedt om op te slaepen heeft ge=
    houde, in seelant seijt den heer van oudijck10Willem Adriaan van Nassau Odijk datsij
    ock al den heer van wulfvens goet hebbe gekonfis=
    =keert so dat waer is, sijn sij wel te beklage en der
    Elendich aen, ick ben bij de vrou van wulfve11Anna van Renesse van Moermont ge
    weest sij was wat beeter[, uhEd briefve vande]

    Geld

    Margaretha probeert er alles aan te doen om te zorgen dat zij en haar man het geld krijgen waar ze recht op hebben. Ze belooft haar man dat ze naar Amsterdam zal afreizen zodra ze de ordinantie binnen heeft. In totaal heeft ze twee ordinanties, die bij elkaar opgeteld 12000 gulden waard zijn. Ze wil zo veel ontvangen als mogelijk is, want ‘hoe langer hoe erger men aen gelt sal raecken’.

    Brief fragment over geld

    [briefve,] ick sal met het gelt doen volgens uhEd
    ordere, verwachte deese weeck noch Een ordinan
    die inhande vande gekomiteerde raden is om de
    kontree ordinansi op te maecke so haest ick die
    heb sal daermeede naer Amsterdam gaen om te
    sien of ick kost het gelt van beijde die ordienansi
    het welcke ter som van 12000 f sal sijn saeme kan
    krijgen, moet so veel ontfange alst mogelijck is
    want hoe langer hoe erger men aen gelt sal
    raecken[, de heer en vrou van ginckel bedancke]

    Zuinig leven

    Margaretha belooft dat ze zo zuinig mogelijk probeert te leven, maar ze verzoekt hem er wel rekening mee te houden dat haar huishouden momenteel uit 28 à 30 man bestaat en dat alles ongelooflijk duur is.

    Brieffragment over zuinig leven

    ick bidt weest verseeckert dat ick so seer op Alles menaesgeere12Menageren: sparenalst
    Eenichsins moogelijck is, dan uhEd belieft te dencke dat hier Een
    swaere huijshoudine is wij sijn meest 28 en 30 mense sterck en
    alles is so wttermaete dier dat ongelooflijck is[, den heer van]

    Gravure van een oudere man en een oudere vrouw die samen aan tafel zitten. De vrouw weegt geld, terwijl haar man een stokbeurs op schoot heeft. Vanuit een venster slaat de Dood, met in de hand een zandloper, het tafereel gade.
    Paar weegt geld, Franciscus van der Steen, naar David Teniers, 1643 – 1672. Collectie Rijksmuseum

    PS: Je nieuwe rustwagen komt eraan!

    Van de winter is Godard Adriaan zijn rustwagen kwijtgeraakt. Nu het bijna lente is, komt er dan eindelijk een nieuwe rustwagen. Griffier Hendrik Fagel zal het gaan regelen. Het duurde zo lang omdat degene die verantwoordlijk was voor de nieuwe rustwagen, Daniël van Hogendorp, zes weken afwezig is geweest.

    Brieffragment rustwagen

    de tweede rustwage
    seijt den griffier fagel te sulle
    besorchge datse uhEd sal goetgedaen
    worde, het is so lan in hande vande heere hoogendorp13Daniël van Hogendorp geweest
    die wel sesweecke of langer apsent is geweest, dat oorsaeck
    is het niet is afgedaen

  • Slecht nieuws en slecht weer

    DatumPlaats
    Geschreven19 januari 1673Den Haag
    Ontvangen5 februari 1673Soest
    Lees hier de originele brief

    Margaretha start haar brief met dat er weinig te schrijven valt – opmerkelijk, want deze brief telt toch zes kantjes. Willem III blijft twijfelen over de uitspraak over Pain et Vin. Er ligt een voorstel van de krijgsraad, maar Willem III doet niets. Zelfs de predikanten bemoeien zich ermee. Ondertussen klaagt het volk. Hoewel dat misschien te zacht is uitgedrukt. Ze voeren zulke taal dat men ervan schrikt het te horen!

    De troepen moeten doorstoten

    Van alle kanten in het land krijgt Margaretha weer dingen ter oren. In Rotterdam zegt men dat het absoluut niet goed gaat met de strijd, in Amsterdam is men ook zeer ontevreden. ‘De heer wil ons aen allekante bewaere’. Men verlangt zeer naar het nieuws dat de troepen eraan zullen komen, maar dat blijft uit. Dat Höxter (ten Oosten van Bielefeld en Paderborn) verovert is, is iets positiefs, maar sommigen zeggen dat dat alleen maar is gelukt omdat er net geld binnen was gekomen. Pas als er geld is, komt het leger in actie. Als het geld op is, wordt er weer niks gedaan. Wanneer de vijand voor de zomer niet uit Utrecht is, blijft er onzekerheid. Men zegt dat Lodewijk XIV zeer veel man aan het werven is en er dus sterk voor komt te staan. Hij zal met een aanzienlijk leger aankomen in het voorjaar.

    Brieffragment over de oorlog in de zomer

    [meeste garnesoen daer wt had getrocke,] men seijt
    ock dat tureijne1Henri de la Tour d’Auvergne, burggraaf van Turenne te weesel is en sijn volck daer
    ontrent, so den vijant voor de soomer niet wt
    wttrecht is sijn wij hier niet seecker dewijl men
    seijt den koninck weer seer sterck werft en
    met Een aensienlijck leeger teegent voor ijaer
    af sal koome, [ick weet niet hoe ickt sl maecke]

    Huren of niet huren?

    Vervolgens twijfelt ze weer over wat ze met het huis in Amsterdam aan moet. Ze heeft het nog sowieso tot mei gehuurd, daarna wordt het verhuurd aan joden, schrijft ze. Moet ze nu alvast een ander huis gaan huren in de stad? Ze zal het nog eventjes aankijken de komende tijd, wie weet wat er nog gebeuren zal.

    Gezicht op de Nieuwe Zijds Voorburgwal met de Oude Haarlemmersluis te Amsterdam. Links aan de gracht het huis Bartolotti, rechts een heiligenbeeld op de hoek boven het water. In het midden een ijzeren brug waarvan de pijlers zijn versierd met heraldische wapens met leeuwen. Op het water twee schuiten. Een van de schuiten ligt aangemeerd, twee mannen kijken naar de schuit in de sluis een derde geeft iets aan een vrouw op de weg. Een andere vrouw loopt via de loopplank met een volle emmer in haar hand naar de weg. Op de weg twee heren die elkaar ontmoeten, de lopende heeft een koffer in zijn hand. Links op de brug staan twee mannen te praten, rechts komt een man met een hondje aanlopen. Het is zonnig, het water is spiegelglad, aan de blauwe lucht een paar wattenwolken.
    Amsterdams stadsgezicht met huizen aan de Herengracht en de oude Haarlemmersluis, Jan van der Heyden, ca. 1670. Collectie Rijksmuseum.

    In de gracht gewaaid

    Over de ordinantie voor 1000 gulden is er goed nieuws en slecht nieuws: het goede nieuws is dat hij er is, het slechte nieuws is dat raadspenionaris Fagel hem “verlegd” heeft. Hij is dus kwijt. Ze eindigt haar brief dat ze maar gelijk de volgende 6000 gulden gaat vragen, het duurt allemaal zo lang…

    Maar ze blijkt nog niet uitgeschreven. In een p.s. noteert ze dat het haar zo bedroeft dat de post traag is, de laatste brief die ze van haar man ontvangen heeft is al weer van twee weken geleden. En wat ander nieuws: door de harde wind zijn er twee mensen (één in Amsterdam en de ander in Delft) in de grachten gewaaid en verdronken!

    De ps over de tijd dat de brieven erover doen en de sterke wind

    uhEd getrouwe
    MTurnor


    tis bedroeft
    dat de briefve
    so lange onderweege
    sijn, uhEd laeste is
    nu weer over de 14
    dagen out

    haer hoocheijt2Amalia van Solms blijft noch
    al so legge3Ze is nog steeds niet beter, den raetsheer kerckenraet
    is te Amsterdam bij avont door de stercke
    wint inde graft geweijt en verdroncke, den
    heere golsteijns soon is te delft ock inde graft
    verdroncken

    Tekening van een straat. De mensen op straat lopen diep weggedoken in jassen sjaals rond, een jongetje rent. Bij een half open deur staat een man te kijken en een hond springt snel naar binnen. Je ziet het water in pijpenstelen naar beneden komen. Rechts onder een afdakje zitten een paar mensen, ook zij zitten weggedoken in hun jas.
    Straatgezicht met zware wind en regen, Jan Luyken, 1698 – 1700. Collectie Rijksmuseum.

    Wéér betalen

    Ook hierna houdt het schrijven nog niet op. De post is die avond waarschijnlijk door het slechte weer nog niet geweest, dus een dag later, op 20 januari, kan ze nog wat neer krabbelen: van de secretaris heeft ze een brief ontvangen waarin wordt verteld dat de dorpelingen in Amerongen de Fransen wederom moeten betalen. Maar wie moet dat gaan betalen, eigenlijk? Er zijn zoveel sterfgevallen geweest in het dorp: de timmerman en de lakenkoper gestorven. En als de rest van de mensen in het dorp nog niet dood zijn, dan wel dodelijk ziek. Hoewel de predikant in Utrecht gelukkig aan de betere hand is. In Utrecht vragen de Fransen ook weer om belastingen. Ze willen de 200e penning, een vermogensbelasting, tien keer innen, bovenop het huisgeld. Er wordt per huis getaxeerd en geïnd tot in de Kreupelstraat4Nu de Keukenstraat, tussen het Servaasbolwerk en de Nieuwegracht.

    Een tekening met links op de achtergrond de Dom die fier boven alles uit steekt, rechts een gebouw met twee daken dat je van de kopse kant ziet. In de voorkant van elke gevel zitten twee hele hoge, smalle boogvenster, midden daartussen aan de bovenkant in elke nog een groot roosvenster en daarboven twee kleine venstertjes. Aan de vier einden van de twee daken zitten schoorstenen. Op de voorgrond een straatje met kleine huisjes. Ze zijn een verdieping en een dak hoog. Ze zien er vervallen uit. Dat is de kreupelstraat/keukenstraat.
    Gezicht vanaf de stadswal te Utrecht op het Leeuwenberggasthuis aan de Schalkwijksteeg met op de voorgrond de Keukenstraat en op de achtergrond de Domtoren, uit het zuidoosten. Anonieme tekening uit ca. 1770. Collectie: Utrechts Archief

    Nog meer schade aangericht door de Fransen

    Nog meer leed wat de Fransen aanrichten: De heer van der Aa mag niet meer naar zijn huis terug gaan. Wat overigens ook niet eens meer zou kunnen, het huis is geplunderd en van zijn dieren is ook niks overgebleven.

    Tot slot de post

    Margaretha hoopte deze dag toch nog een brief te mogen ontvangen van haar geliefde man, maar door het slechte weer is er geen post aangekomen.

    Gravure in een passe-partout. Op de afbeelding staat een ruïne. Op de voorgrond een lang, smal gebouw met daarachter een afgebrokkelde brede toren. Links achter een gehalveerde smallere toren. Op de voorgrond zit een man met een papier in zijn hand. We zien hem op zijn rug, dus we zien niet wat hij doet (tekenen? lezen?) Naast hem staat een man die half gebukt mee kijkt op het papier. In het passe-partout staat: 
Het HUIS ter AA bij BREUKELEN
siende naar de Vecht.
    Huis ter Aa bij Breukelen, Jacobus Schijnvoet, 1711. Collectie Rijksmuseum.
  • Een belegering in de winter

    DatumPlaats
    Geschreven22 december 1672Den Haag
    Ontvangen12 januari 1673
    Lees hier de originele brief

    In haar vorige brief had Margaretha een brief van Welland opgenomen. Welland had geschreven dat de Spanjaarden met Frankrijk gebroken hadden. Oftewel: de Spanjaarden zouden officieel partij hebben gekozen voor de Republiek en zelfs al een offensief en defensief verbond gesloten hebben. Goed nieuws! Of toch niet?

    Het beleg van Charleroi

    Helaas blijkt ook het nieuws over het verbond met Spanje te goed om waar te zijn. Maar het is ‘abuijs en so breet niet’, aldus Margaretha. Hoewel Spanje nog niet officieel met Frankrijk gebroken heeft, lijken de Spanjaarden wel op de hand van de Republiek te zijn. Margaretha weet te vertellen dat de Spanjaarden Charleroi berend hebben! De stad is in handen van de Fransen en wordt gebruikt als bevoorradingsplaats voor het Franse leger. Charleroi veroveren… Wat zou dat een mooie opsteker zijn voor de Republiek, zo aan het eind van het jaar! Prins Willem III heeft zich inmiddels met een deel van het Staatse leger bij de Spanjaarden gevoegd. Dat is goed nieuws! Of toch niet? Margaretha spreekt haar vrees uit. Ze gelooft dat ‘deese plaats seer veel volck sal koste’: de gouverneur van de vesting zal Charleroi tot de laatste man willen verdedigen…

    Mijn heer en lieste hartge
    met mijne laeste heeft de heer van wellant1Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha uhEd ge
    =schreefve dat de spaense tegens vranckrijck gebroo
    cke en met ons Een liege garantij offensijf en de=
    fensijf soude gemaeckt hebbe2Een offensief en defensief verdrag het welcke hem wt
    Maestricht geschreefve is, doch tis abuijs en so breet
    niet, maer wort geseijt hetselfve op goede voet te
    staen, dat de spaense scharleroij berent hebbe en
    sijn hoocheijt voort met sijn leeger daer bij is gekoome
    is waer, en dat hij voorleede sondach Een kontersch
    =erp3Conterscherp/Contrescarp: een talud aan de buitenzijde van een (vestinggracht) in had hout men ock seecker, en dat de gouver=
    =neur van scherleroij die bine tongere was met 60
    man door Eene senisterheijt4Van sinister/sinisterlijk: op slinkse wijze is inde stat gekoome
    staet mij niet aen, hij is so geseijt wort Een vande
    braefste5Dapperste/moedigste offisiers die int fransen dienst is
    ick en veel wijse liede vreese deese plaets seer
    veel volck sal koste om dat dien gouverneur het
    tot de wtterste toe sal wille deffendeere [, al mijn]

    De vesting te Charleroi, veroverd door de Fransen of Munstersen, Gaspar Bouttats, 1672. Collectie Rijksmuseum.

    Kou

    Is het wel een goed idee om nu aan een beleg te beginnen? Het is ontzettend koud: ‘Mensen moete van koude vergaen en doot vriesen’, uit Margaretha haar zorgen. Zo koud is het in jaren niet geweest de wateren zijn reeds bevroren. Wat zal er gebeuren als het Franse leger de weersomstandigheden ten volle benut? In Utrecht verwacht men dat de Fransen nog dit jaar van plan zijn om Holland binnen te vallen. Margaretha hoopt dat de Heer almachtig het kwade voornemen van de vijand wil beletten en de inwoners van Holland voor een overval wil bewaren. Toch bereiden de Hollanders zich voor op het ergste: met degens, roers (vuurwapens) en bijlen. Maar in hoeverre zal dit helpen wanneer God verhoedde de Fransen aanvallen? Margaretha is niet erg hoopvol: iedereen zal alleen zijn eigen huis beschermen, en de rest aan de vijand overgegeven.

    harde en felle weer, och ist nu tijt om beleegerin
    te doen de mense moete van koude vergaen en doot
    vriesen ock ist onmoogelijck datse met Een schop of spae
    inde aerde konne, tis hier so fel en scherp kout als ick
    in Eenige ijaere beleeft heb al de watere legge toe
    men schrijft wt wttrecht datse daer noch starck
    voor hebbe dit saijsoen te wille waerneeme en in hollant
    te wille koome, de heer almachtich wil haer quaet
    voorneeme belette en ons voor Een overval be=
    waere men sit hier in groote vrees, alde burge
    =rij en de sepooste is aengeseijt haer met Een deege
    Een roer en Een bijl gereet te houde maer als
    der op aen sou koome dat godt verhoede wil
    wat sout helpe Elck sou naer sijn Eijgen huijs
    loope en de rest ten beste geefve[, de griffier fagel]

    Soldaat die zijn roer op zijn schouder draagt, Jacob de Gheyn (II) (atelier van), naar Jacob de Gheyn (II), ca. 1597 – 1607. Collectie Rijksmuseum.

    Geld

    Gelukkig valt er ook nog iets positiefs te melden: griffier Hendrik Fagel de broer van raadpensionaris Gaspar Fagel heeft aangegeven bezig te zijn een nieuwe rustwagen voor Godard Adriaan te regelen. Hendrik heeft tevens, op verzoek van Margaretha, zijn broer gesproken over de betaling van de ordinantie. Maar de kasteelvrouwe verwacht niet dat de raadpensionaris zich aan zijn woord zal houden. Vervolgens begint Margaretha over de Staten van Holland. Er sijpelt sarcasme door in haar woorden: de Staten van Holland hebben eindelijk door dat de militie in dit weer niet zonder geld kan. Er zijn verbeteringen doorgevoerd waardoor de soldij voortaan op tijd betaald wordt.

    [loope en de rest ten beste geefve,] de griffier fagel
    heeft mij doen segge beesich te sijn met het
    versoeck tot Een rustwage voor uhEd geloof hij
    daer toe al konsent heeft bekoome, o ock dat hij
    den heer r p fagel op mijn versoeck heeft ge
    sproocke weegens de betaeline van beijde uhE
    ordinansie die hem belooft heeft mij deese
    weeck kontentement te doen hebbe so hij woort
    hout salt heel goet sijn maer hij heeft het so dick
    mael en so lan belooft dat icker geen staet op

    kan maecke, men heere de state van hollant beginne
    nu te dencke dat haer meliesi in dit weer niet
    sonder gelt konne sijn, hebbe die voorsienine ge
    daen dat al haer meliesie betaelt wort
    tot dees loopende maent en de ordinansie die
    in dees maent vervalle sijn sullense laete
    loope sonder op te maecke deese maent wt en die
    tot den leste deesem in kluijs op maecke en betaelle
    en dan voortaen alle maent voort pront betael
    dat wel Een goede saeck sal sijn[, maer de track]

    Ziekte en beterschap

    Godard Adriaan moet ongerust zijn geweest toen hij de woorden van Margaretha las. In haar brief van 22 december schrijft ze dat ze een aantal dagen last heeft gehad van ‘een seer swaere defluxsi op de halfve sijdt van mijn aensicht en tande’. Ook had ze ontzettende hoofdpijn, vond ze zichzelf niet om aan te zien, was haar oog gezwollen en had ze rode plekken rond haar mond. Waarschijnlijk had ze last van een huidinfectie door stafylococcen (mogelijk streptokokken). Een combinatie met gordelroos (vaak getriggerd door een andere aandoening of verminderde weerstand) is ook mogelijk. Gelukkig is Margaretha ten tijde van het schrijven van de huidige brief weer aan de beterende hand. Met Reijniera gaat het ook stukken beter, maar nu begint Antge weer uitslag te krijgen. Gelukkig is het kindje er (nog) niet ziek van. Margaretha zou niet weten wat ze moet doen als ze zou moeten vluchten. In de kou, met de zieke kinderen…

    [te bedancke,] ick heb Ettelijcke dage Een seer
    swaere defluxsi op de halfve sijdt van mijn
    aensicht en tande met Exstreeme pijn int
    hooft gehadt ijae so dat ick niet toonbaer ben
    mijn Een ooch is bij naest toe sien maer met
    het Een ooch so is die sij geswolle en rontom mijn
    mont met viericheijt wt geslage, met de roos aent
    geswolle ooch, dant hart is de heer sij gedanckt
    gesont nu de pijn over is weet ick niet waer ick
    ben , het kint raniertge is haest weer wel maer
    nu begint Antge weer wt te slaen doch isser
    sonder lin niet sieck van hoop het maer wint
    of steenpockges sulle sijn, gist dat wij Eens
    met dit harde weer moste vluchte sou niet weete
    hoe ickt met de siecke kinderen sou maecke, de
    heer hoope ick salter niet toe laete koome[, gistere]

    Het laatste nieuws

    Margaretha sluit haar brief af met slecht nieuws uit Amerongen. Uit een brief van de secretaris heeft ze vernomen dat er vorige week vier doden zijn gevallen. Tot overmaat van ramp is de predikant, Keppel, ook nog eens ziek…

    In een Post Scriptum voegt Margaretha nog toe dat ze hoopt snel iets van Van Ginkel te horen. Ook is ze benieuwd naar het verloop van het Beleg van Charleroi en wil ze graag weten waar Godard Adriaan van de winter zal verblijven. Daarna volgt het allerlaatste nieuws over het Beleg van Charleroi, afkomstig uit de brieven uit Maastricht. Maar men weet niet meer wat waar is. Er wordt zo veel gelogen, het is een schande…

    ons verlanckt seer hoet met de heer van ginckel
    is en hoet met scharleroij staet, ock waer uhE
    noch sijn winter quartier sal hebbe dat nu
    wel tijt wort[, men is hier noch blijde dat de gou]