Tag: Legerziekte

  • Elk zoekt zijn voordeel

    DatumPlaats
    Geschreven16 januari 1673Den Haag
    Ontvangen29 januari 1673
    Lees hier de originele brief

    Rust Roest

    Een brief van Godard Adriaan van 3 januari uit Bielefeld is eindelijk aangekomen. Hij heeft het ook over een brief van 26 december uit Sassenburg, maar die heeft Margaretha niet gezien. Ze is erg blij te weten dat hij gezond is na zo’n lange zware mars! Alleen hoopt ze niet dat hij nu ziek wordt, juist nu hij even rust heeft. Dat gebeurt met de mannen van van Ginkel aan de lopende band. “… De een is nog niet op de been, of de ander ligt weer…”

    Brieffragment gezondheid man en zoon

    [nu de heere sij]

    gedanckt die uhEd op so swaere en landurijge
    mers in so veel fatijgees1Van fatigeren: vermoeien heeft bewaert wil
    deselfve in gesontheit laete kontiniweere2continueren, ten waer
    niet vreemt dat uhEd ent volck nu die op de rust
    koome Een sieckte kreechge, dat sien ick aent
    volck vande heer van ginckel die deen naer dander
    al sieck worde deen is niet op de been of dander leijt
    ter weer toe [sij hebbe op die leste tocht groote on]

    Van Ginkel weer beter

    Met van Ginkel zelf gaat het gelukkig een stuk beter, al blijft hij zwak. Hij heeft nog wel steeds regelmatig de bibbers, wat Margaretha aan de koortsstuipen toeschrijft die hij heeft gehad.

    Brieffragment beterende zoon

    [gemacke gehadt,] de heer van ginckel is de heer sij
    gedanckt weer wel heeft in sijn sieckte groote
    konfulsie3convulsie: onwillekeurige spiersamentrekking stuip gehadt die hem noch min of meer aen
    hange en Eenige beevine veroorsaecke dien ick
    hoope motter tijt vergaen sulle, is noch vrij swack

    Elk zoekt zijn voordeel

    Zwart paard met een hoofdstel met een man ernaast met een blauwe jas, een wit sjaaltje, een pofbroek en kousen die de teugels vast houden. Hij kijkt naar het paard, terwijl het paard naar de schilder kijkt.
    Zwart paard door een stalknecht geleid, anoniem, ca. 1670. Collectie Rijksmuseum

    De stalknecht die Godard Adriaan naar Van Ginkel heeft gestuurd is nog niet opgedoken. Hij zou met de knecht en de trompetter van overste Van Webbenom in Breda zijn. Van Ginkel kan het niemand vragen want de overste is naar Vlaanderen om daar contributie te heffen in de Franse gebieden. Van Nassau Lalecq is met hetzelfde doel naar Sluis in Zeeuws-Vlaanderen. Ze hopen zo ‘wintertering’, inkomsten voor de winter, binnen te halen. “Nu, elk zoekt zijn voordeel”, zegt Margaretha.

    den stalknecht die uhEd hem gesonde heeft
    komt niet te voorschijn den overste seij mij dat
    de knecht met sijn trompetter te breeda was en
    met den Eerste volgen sou den heer van ginckel
    verlanckter naer heeft hem wel van doen maer
    weet niet waer daer naer te verneeme vermids
    den overste webbenom4kolonel Johan Thibault Webbenom naer vlaendere is, so ge
    seijt wort om die spaense neerlande ondert ge
    =biet vande koninck van vranckrijck onder kontre
    =buijsie te stelle, [g] met gelijcke last is vander leck5Maurits Lodewijk van Nassau LaLecq
    naer sluijs gesonde daer sulle die vriende wel Een
    winterteeringe6Wintertering (vanuit de betekenis van tering-datgene waarmee men in zijn levensonderhoud voorziet): waarmee men tijdens den winter in zijn levensonderhoud voorziet wt haelle, nu Elck soeckt sijn voordeel

    Zonder de dooi waren wij allen om hals

    Bovenaanzicht van een fort. Links van het midden loopt van boven naar beneden Den Ryn (staat erin). Aan de linker kant een soort minifortje: twee kleine bastions het land in en aan de kant van de Rijn is het recht. Het water om het fort heen wordt daardoor een soort M. In het minifortje staan twee soldaten. Op het weiland eromheen loopt een man. Aan de rechterkant van de Rijn een groter fort met vier bastions. Er tussen zitten geen rechte delen, waardoor het een soort ster is. Om het bastion zit water, aan de onderkant kan je er via een bruggetje in. De punt rechts boven ligt in De Dubbele Wirick (staat erin). In het fort lopen soldaten met lansen musketten en zwaarden. Er zijn ook twee ruiters te paard een een hondje (?). Op de Rijn vaart een zeilboot naar boven. Aan de onderkant liggen drie schuiten zonder zeilen maar wel met mensen (soldaten?) erin. Boven het stervormige fort staat 
t' Fort aan de Nieuwerbrug
In het weiland aan de rechtkant staat 
Landt onder Water
    Fort Nieuwerbrug. Uit Lambert van de Bos, Toneel des oorlog, 1675. www.edward-wells.nl/catalogus, Public domain, via Wikimedia Commons Wikimedia commons

    Margaretha memoreert nog eens het geluk van de plotselinge dooi die in viel, toen de hertog van Luxemburg eind december oprukte over het ijs. ‘Zonder dezelve waren wij allen om hals (dood)’. Naast dit ingrijpen van God zou het ‘voorzichtig terugtrekken’ van de graaf van Koningsmarck ook het behoud van het land zijn geweest. (Misschien omdat er anders veel manschappen verloren zouden zijn gegaan?) De gebeten hond is voor iedereen kapitein Pain et Vin die zijn post bij Nieuwerbrug had verlaten. Anders zouden ze meer dan 8000 Fransen ‘in de knip’ hebben gehad, die nu een moordende bende vormden.

    Brieffragment over de dooi en wat er nou gebeurde toen de Fransen terug trokken

    [weer indien tijt geweest,] die schielijcke7plotselinge doeij die
    de heer almachtich ons buijten alle Aprehensi8Apprehensie: het vatten met de geest, bevatten gaf
    quam seer wel te pas sonde de selfve waeren wij
    alle om hals9dood als uhEd wt meijne voorgaende sult
    gesien hebbe, men seijt hier noch dat het voorsichti
    reetiereere10terugtrekken vande koninsmerck11Kurt Christoph von Königsmarck naest godt ten
    voorste, het behoudenis van ons lant is geweest
    en had penivijn12Moïse Pain et Vin die post aende nieuwe bruch13Nieuwerbrug
    gehoude en niet verlaete datter meer als acht
    duijsent franse inde knip daer niet Een van
    af had konne koome waer geweest, [penevijn]

    Pain et Vin nog gevangen

    Kapitein Pain et Vin zit nog in de gevangenis en heeft levenslang, een beroepsverbod en verbeuring van al zijn goederen. Dat vindt Willem III niet genoeg, en het volk nog veel minder. Willem III laat het vonnis nog eens door rechtsgeleerden onderzoeken en het volk eist een lijfstraf of de doodstraf. In veel steden gist en rommelt het, en er worden zulke vreselijke dingen geroepen dat Margaretha het niet eens op durft te schrijven.

    Brieffragment over de reacties op Pain et Vin

    [te hoore,] de gemeent14gemeente, het volk is so onstuijmich over deese sin=
    =tensie15sententie: vonnis dat niet wt te spreecke is sij wille hem aenden
    lijfve gestraft hebbe so dat niet geschiet vrees ick
    Een temulte niet alleen hier maer leijden16Leiden delf17Delft
    Amsterdam en Rotterdam het mor ter so vree
    =slijck18het mort er so vreeslijck: er wordt zo vreselijk gemord en spreecke so dat ick de pen niet derf ver
    =trouwe en schrick der aen te dencken, [het ver]

    Rabenhaupt geëerd

    Godard Adriaan heeft vast over de verovering van Coevorden gehoord. Als de keurvorst nu doorpakt kan ook hij met Gods hulp misschien nog veel goeds voor elkaar krijgen. Carl von Rabenhaupt komt veel eer toe, en de Friezen doen het ook goed, misschien dat er in Overijssel wat bereikt kan worden.

    Brieffragment over de verovering van Coevorden

    het ver

    =overen van koefverde19Coevorden sal uhEd hebbe verstaen
    naert oordeel van veele so den keurvorst nu
    t werck wil behartige en Eens ter deege met sij
    volck ageere20aanvallen twijfelt men niet van wat goet
    met godts hulpe te sulle verichte, raefvenshooft21Rabenhaupt
    leijt groote Eer in22en de vriese23Friezen doen ock wel, men
    gelooft in overijsel wel wat sou konne gedaen
    worde, [de heer wil geefve wat tot onse beste]

    Mensen ontvluchten Den Haag

    Amalia van Solm is nog steeds ziek. De nieuwe ordonnantie is er nog niet, maar de eerste is bevestigd door de Raad van State. Er zijn veel ambtswisselingen in Den Haag. Er vluchten nog steeds heel veel mensen. Margaretha vreest dat de koning van Frankrijk tegen de zomer weer met een groot leger zal opmarcheren. Margaretha wenst nogmaals voor het nieuwe jaar meer goddelijke zegen voor het land en voor de wapenen dan in het jaar ervoor.

    Brieffragment vluchtende mensen

    de liede vluchte van hier noch met gewelt ick vrees teegens
    de soomer als waneer so geseijt wort de koninck met Een mach
    =tige armee weer af sal koome de heere wil ons genadich
    sijn en bij staen, geefve dat wij in dit ijaer sijne godlijcke
    seegen over ons lande en wapenen meer mooge hebbe als
    voor dees, inwiens bescherminge uhEd beveelle blijfve

  • De terugkeer van Van Ginkel

    DatumPlaats
    Geschreven12 januari 1673Den Haag
    Ontvangen24 januari 1673
    Lees hier de originele brief

    De laatste brief die Margaretha van Godard Adriaan heeft ontvangen, heeft ze op 9 januari beantwoord. In de tussentijd heeft ze geen nieuwe brieven van haar man binnengekregen. Ze blijft trouw schrijven, maar maakt zich wel zorgen.

    Komt Van Ginkel thuis?

    Van zoonlief heeft Margaretha wel brieven ontvangen. De heer Van Ginkel schrijft dat zijn gezondheid sterk verbeterd is. Hij is met een koets vertrokken en wacht op het jacht dat hem op komt halen in Brussel. Margaretha verwacht dat hij onderweg is, maar het heeft de afgelopen week ontzettend hard gestormd…

    [staen t kost niet voort,] de heer van ginckel schrijft
    sijn gesontheijt so toe genoome te hebbe dat hij met
    Een koets wtgereede heeft dat hem wel bekoome
    is en wachte maer opt jacht dat van rotterdam
    gist gistere acht dage al naer bruijsel al af
    gevaeren is om hem te haelle so dat niet twij=
    =fele of hij is op wech, maert heeft deese weeck
    heel seer gestormt tot deesen dach toe en nu heeft
    hij vlack inde wint dat mij bekomert[, alsmeede niet]

    Een schip in volle zee bij vliegende storm, bekend als ‘De windstoot’, Willem van de Velde (II), ca. 1680. Collectie Rijksmuseum

    Amalia en Albertine Agnes

    Amalia van Solms, weduwe van Frederik Hendrik van Oranje, is ontzettend ziek. De doktoren hebben weinig hoop, schrijft Margaretha. De prinses van Oranje is verkouden, hoest en heeft aanhoudende koorts. Margaretha heeft ook nieuws over een andere prinses: Albertine Agnes van Nassau, de vrouw van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz. De prinses ‘wort verwacht’, aldus Margaretha.

    [in gesontheijt,] haer hoocheijt Mevrou de prinses
    van oransge1Amalia van Solms is, Etlijcke dagen herwaerts heel doot
    lijck kranck geweest ijae so dat de docktoore weij
    nich hoop vande leefve hebbe, veroorsaeckt wt Een

    groote verkoutheijt met hoest en kontiniweelle
    koorts en alledaech swaere verheffine van
    koorts die met koude aenkomt, de prinses van
    vrieslant2Albertine Agnes van Nassau, dochter van Amalia van Solma wort verwacht[, voort verlanckt me]

    Ziekte, dood en verderf in het leger

    Uiteraard besteedt Margaretha ook weer aandacht aan het oorlogsnieuws. Zoals altijd is de hamvraag: waar blijven de Duitse troepen? De gardes van de prins van Oranje begeven zich in ieder geval in Den Haag, het regiment van Van Ginkel te Gorinchem, dat van Jacob van Wassenaer Obdam te Amsterdam, van Frederik Hendrik van den Boetzelaer te Leiden en van Joan Teding van Berkhout te Rotterdam. Gelukkig bevindt zoonlief zich op het moment niet bij zijn regiment, want in Gorinchem zijn veel militairen aan de rode loop. In Holland staat alles onder water, waardoor wegen onbruikbaar zijn geraakt. Daarbij komt dat er bij Amsterdam door de zware wind een dijk is doorgebroken, waardoor veel ruiters te paard van de compagnie van Gerard Bernhard von Pöllnitz zijn verdronken. En er zijn nog meer doden te betreuren: de heer van Herne, Adriaan Reinhard van Reede, is aan de legerziekte gestorven. Margaretha vreest dat er nog veel meer militairen ziek gaan worden.

    [vrieslant wort verwacht], voort verlanckt me
    hier seer te hoore waer de duijtse troepees sijn
    de gardees van sijn hoocheijt legge hier inde haech
    het reegement vande heer van ginckel te gorckom
    dat van obdam3Jacob van Wassenaer Obdam te Amsterdam van lange
    =raeck4Frederik Hendrik van den Boetzelaer is noch te leijden ingenoomen, van
    slijdrecht5Joan Teding van Berkhout te rotterdam, daer over al groote
    quantiteijt van hooij en haver voor op gedaen
    is, men seijt te gorckom seer veel siecke aende
    roode loop is, het staet hier in hollant over al
    so int water datter geen weege sijn te gebruijck
    daer bij komt datter ontrent Amstendam
    door de swaere wint Een dijck is door gebroo
    =cke, waer door veel ruijters met haer paerde
    vande kompangi vanden heere penits sijn
    verdroncke sijn luijtenant dieder acht
    paerde heeft verloore seijtme dat het
    ontswomen is, de raetsheer rijxse swager
    vande burgemeester hamel koomende wt
    noortholland, is te Amsterdam naer twee
    dage sieck geweest te sijn gestorfve, de heer

    van herne6Adriaan Reinhard van Reede is ock in sijn garnesoen aen die leeger
    sieckte gestorfve, daer der veel aen legge, tis
    te vreese als de liede nu wat op haer rust
    koome datter noch veel sulle sieck worde

    Een ruiter met een grote hoed, Adam Frans van der Meulen. Collectie Rijksmuseum

    De goedertierenheid Gods…

    Gelukkig is Van Ginkel weer aan de beterende hand. ‘Wij konne godt niet genoech dancke dat onse soon so genadich daer tot noch toe is af gekoome’, schrijft Margaretha aan haar man. Er is ook goed nieuws over de ordinantie van Godard Adriaan: bij de Gecommitteerde Raden is last gegeven om 12.000 gulden aan Godard Adriaan over te maken. Margaretha zal het wel even gaan regelen: ‘als ick die heb sal sien daer gelt van te krijge’.

    wij konne godt niet genoech dancke dat onse
    soon so genadich daer tot noch toe is af ge
    koome so ick nu hoor van die bij hem in sijn
    swaerste sieckte is geweest was hij teene
    =mael buijten hoop van leefve, och hoe groot
    is de goedertienentheijt godts tot ons wae
    =ren wij maer danckbaer genoech, nu heb
    ick naer lan loope so vergekreechge dat
    ter bij de heere gekomiteerde rade last
    is gegeefve om ordinansi ter som van
    twaelf duijsent gul voor uhEd op te
    maecke als ick die heb sal sien daer
    gelt van te krijge[, en uhEd begeert volge]

    PS: Van Ginkel is thuis!

    Uit deze brief blijkt goed dat Margaretha meerdere dagen over een brief deed. Waar ze zich aan het begin van haar brief nog afvraagt wanneer haar zoon thuiskomt, schrijft ze in een post scriptum dat hij is thuisgekomen. Hij zegt zich goed te voelen, maar ziet er vervallen uit en is zwak: ‘De heere hoope ick sal hem sijn krachte en sterckte voort geefven’.

    opt sluijte van deese komt de heer van ginckel hier aen,
    die seijt hem wel te voelle maer sietter so vervalle wt
    dat men schrickt hem te sien is ock noch seer swack
    de heere hoope ick sal hem sijn krachte en sterckte
    voort geefven, sijn kamerlin is noch heel sieck mee
    hier

  • Een belegering in de winter

    DatumPlaats
    Geschreven22 december 1672Den Haag
    Ontvangen12 januari 1673
    Lees hier de originele brief

    In haar vorige brief had Margaretha een brief van Welland opgenomen. Welland had geschreven dat de Spanjaarden met Frankrijk gebroken hadden. Oftewel: de Spanjaarden zouden officieel partij hebben gekozen voor de Republiek en zelfs al een offensief en defensief verbond gesloten hebben. Goed nieuws! Of toch niet?

    Het beleg van Charleroi

    Helaas blijkt ook het nieuws over het verbond met Spanje te goed om waar te zijn. Maar het is ‘abuijs en so breet niet’, aldus Margaretha. Hoewel Spanje nog niet officieel met Frankrijk gebroken heeft, lijken de Spanjaarden wel op de hand van de Republiek te zijn. Margaretha weet te vertellen dat de Spanjaarden Charleroi berend hebben! De stad is in handen van de Fransen en wordt gebruikt als bevoorradingsplaats voor het Franse leger. Charleroi veroveren… Wat zou dat een mooie opsteker zijn voor de Republiek, zo aan het eind van het jaar! Prins Willem III heeft zich inmiddels met een deel van het Staatse leger bij de Spanjaarden gevoegd. Dat is goed nieuws! Of toch niet? Margaretha spreekt haar vrees uit. Ze gelooft dat ‘deese plaats seer veel volck sal koste’: de gouverneur van de vesting zal Charleroi tot de laatste man willen verdedigen…

    Mijn heer en lieste hartge
    met mijne laeste heeft de heer van wellant1Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha uhEd ge
    =schreefve dat de spaense tegens vranckrijck gebroo
    cke en met ons Een liege garantij offensijf en de=
    fensijf soude gemaeckt hebbe2Een offensief en defensief verdrag het welcke hem wt
    Maestricht geschreefve is, doch tis abuijs en so breet
    niet, maer wort geseijt hetselfve op goede voet te
    staen, dat de spaense scharleroij berent hebbe en
    sijn hoocheijt voort met sijn leeger daer bij is gekoome
    is waer, en dat hij voorleede sondach Een kontersch
    =erp3Conterscherp/Contrescarp: een talud aan de buitenzijde van een (vestinggracht) in had hout men ock seecker, en dat de gouver=
    =neur van scherleroij die bine tongere was met 60
    man door Eene senisterheijt4Van sinister/sinisterlijk: op slinkse wijze is inde stat gekoome
    staet mij niet aen, hij is so geseijt wort Een vande
    braefste5Dapperste/moedigste offisiers die int fransen dienst is
    ick en veel wijse liede vreese deese plaets seer
    veel volck sal koste om dat dien gouverneur het
    tot de wtterste toe sal wille deffendeere [, al mijn]

    De vesting te Charleroi, veroverd door de Fransen of Munstersen, Gaspar Bouttats, 1672. Collectie Rijksmuseum.

    Kou

    Is het wel een goed idee om nu aan een beleg te beginnen? Het is ontzettend koud: ‘Mensen moete van koude vergaen en doot vriesen’, uit Margaretha haar zorgen. Zo koud is het in jaren niet geweest de wateren zijn reeds bevroren. Wat zal er gebeuren als het Franse leger de weersomstandigheden ten volle benut? In Utrecht verwacht men dat de Fransen nog dit jaar van plan zijn om Holland binnen te vallen. Margaretha hoopt dat de Heer almachtig het kwade voornemen van de vijand wil beletten en de inwoners van Holland voor een overval wil bewaren. Toch bereiden de Hollanders zich voor op het ergste: met degens, roers (vuurwapens) en bijlen. Maar in hoeverre zal dit helpen wanneer God verhoedde de Fransen aanvallen? Margaretha is niet erg hoopvol: iedereen zal alleen zijn eigen huis beschermen, en de rest aan de vijand overgegeven.

    harde en felle weer, och ist nu tijt om beleegerin
    te doen de mense moete van koude vergaen en doot
    vriesen ock ist onmoogelijck datse met Een schop of spae
    inde aerde konne, tis hier so fel en scherp kout als ick
    in Eenige ijaere beleeft heb al de watere legge toe
    men schrijft wt wttrecht datse daer noch starck
    voor hebbe dit saijsoen te wille waerneeme en in hollant
    te wille koome, de heer almachtich wil haer quaet
    voorneeme belette en ons voor Een overval be=
    waere men sit hier in groote vrees, alde burge
    =rij en de sepooste is aengeseijt haer met Een deege
    Een roer en Een bijl gereet te houde maer als
    der op aen sou koome dat godt verhoede wil
    wat sout helpe Elck sou naer sijn Eijgen huijs
    loope en de rest ten beste geefve[, de griffier fagel]

    Soldaat die zijn roer op zijn schouder draagt, Jacob de Gheyn (II) (atelier van), naar Jacob de Gheyn (II), ca. 1597 – 1607. Collectie Rijksmuseum.

    Geld

    Gelukkig valt er ook nog iets positiefs te melden: griffier Hendrik Fagel de broer van raadpensionaris Gaspar Fagel heeft aangegeven bezig te zijn een nieuwe rustwagen voor Godard Adriaan te regelen. Hendrik heeft tevens, op verzoek van Margaretha, zijn broer gesproken over de betaling van de ordinantie. Maar de kasteelvrouwe verwacht niet dat de raadpensionaris zich aan zijn woord zal houden. Vervolgens begint Margaretha over de Staten van Holland. Er sijpelt sarcasme door in haar woorden: de Staten van Holland hebben eindelijk door dat de militie in dit weer niet zonder geld kan. Er zijn verbeteringen doorgevoerd waardoor de soldij voortaan op tijd betaald wordt.

    [loope en de rest ten beste geefve,] de griffier fagel
    heeft mij doen segge beesich te sijn met het
    versoeck tot Een rustwage voor uhEd geloof hij
    daer toe al konsent heeft bekoome, o ock dat hij
    den heer r p fagel op mijn versoeck heeft ge
    sproocke weegens de betaeline van beijde uhE
    ordinansie die hem belooft heeft mij deese
    weeck kontentement te doen hebbe so hij woort
    hout salt heel goet sijn maer hij heeft het so dick
    mael en so lan belooft dat icker geen staet op

    kan maecke, men heere de state van hollant beginne
    nu te dencke dat haer meliesi in dit weer niet
    sonder gelt konne sijn, hebbe die voorsienine ge
    daen dat al haer meliesie betaelt wort
    tot dees loopende maent en de ordinansie die
    in dees maent vervalle sijn sullense laete
    loope sonder op te maecke deese maent wt en die
    tot den leste deesem in kluijs op maecke en betaelle
    en dan voortaen alle maent voort pront betael
    dat wel Een goede saeck sal sijn[, maer de track]

    Ziekte en beterschap

    Godard Adriaan moet ongerust zijn geweest toen hij de woorden van Margaretha las. In haar brief van 22 december schrijft ze dat ze een aantal dagen last heeft gehad van ‘een seer swaere defluxsi op de halfve sijdt van mijn aensicht en tande’. Ook had ze ontzettende hoofdpijn, vond ze zichzelf niet om aan te zien, was haar oog gezwollen en had ze rode plekken rond haar mond. Waarschijnlijk had ze last van een huidinfectie door stafylococcen (mogelijk streptokokken). Een combinatie met gordelroos (vaak getriggerd door een andere aandoening of verminderde weerstand) is ook mogelijk. Gelukkig is Margaretha ten tijde van het schrijven van de huidige brief weer aan de beterende hand. Met Reijniera gaat het ook stukken beter, maar nu begint Antge weer uitslag te krijgen. Gelukkig is het kindje er (nog) niet ziek van. Margaretha zou niet weten wat ze moet doen als ze zou moeten vluchten. In de kou, met de zieke kinderen…

    [te bedancke,] ick heb Ettelijcke dage Een seer
    swaere defluxsi op de halfve sijdt van mijn
    aensicht en tande met Exstreeme pijn int
    hooft gehadt ijae so dat ick niet toonbaer ben
    mijn Een ooch is bij naest toe sien maer met
    het Een ooch so is die sij geswolle en rontom mijn
    mont met viericheijt wt geslage, met de roos aent
    geswolle ooch, dant hart is de heer sij gedanckt
    gesont nu de pijn over is weet ick niet waer ick
    ben , het kint raniertge is haest weer wel maer
    nu begint Antge weer wt te slaen doch isser
    sonder lin niet sieck van hoop het maer wint
    of steenpockges sulle sijn, gist dat wij Eens
    met dit harde weer moste vluchte sou niet weete
    hoe ickt met de siecke kinderen sou maecke, de
    heer hoope ick salter niet toe laete koome[, gistere]

    Het laatste nieuws

    Margaretha sluit haar brief af met slecht nieuws uit Amerongen. Uit een brief van de secretaris heeft ze vernomen dat er vorige week vier doden zijn gevallen. Tot overmaat van ramp is de predikant, Keppel, ook nog eens ziek…

    In een Post Scriptum voegt Margaretha nog toe dat ze hoopt snel iets van Van Ginkel te horen. Ook is ze benieuwd naar het verloop van het Beleg van Charleroi en wil ze graag weten waar Godard Adriaan van de winter zal verblijven. Daarna volgt het allerlaatste nieuws over het Beleg van Charleroi, afkomstig uit de brieven uit Maastricht. Maar men weet niet meer wat waar is. Er wordt zo veel gelogen, het is een schande…

    ons verlanckt seer hoet met de heer van ginckel
    is en hoet met scharleroij staet, ock waer uhE
    noch sijn winter quartier sal hebbe dat nu
    wel tijt wort[, men is hier noch blijde dat de gou]