Tag: Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, heer van Welland

  • Oud en moe

    DatumPlaats
    Geschreven24 april 1673Den Haag
    Ontvangen29 april 1673Hamburg
    Lees hier de originele brief

    Margaretha begint haar brief duidelijk geïrriteerd: Tot op heden heeft ze nog geen cent ontvangen van de ordinantie! Morgenochtend wil ze naar Amsterdam gaan om te kijken of dat enig effect heeft bij de ontvanger. Als ze dan toch in Amsterdam is kan ze meteen kijken of ze de pakzolder van de buren kan huren om de spullen van het huis in Amsterdam veilig op te bergen, bedenkt ze tussendoor. Per eind mei is het huis dat ze heeft immers aan anderen verhuurd. Ze twijfelde of ze een nieuw huis moest huren, maar gezien de kosten lijkt dit een betere optie. Den Haag vindt ze nog niet veilig genoeg.

    Geldzorgen

    Vervolgens schrijft ze in haar brief over de enorme geldzorgen die haar plagen. Hoewel de ordinantie van 10.000 gulden bij de Raad van State inmiddels wel rond is, moet er nog bevestiging komen van de Staten van Holland. De uitbetaling in contanten van de ordonnantie van 6.000 gulden laat ook op zich wachten. Margaretha raakt somber door al deze financiële zorgen, zoals de huur van het huis in Amsterdam, belastingen en de dagelijkse kosten van het huishouden. Daarbovenop doet het haar als moeder ook pijn om haar eigen kroost te vertellen dat ze niet langer bij haar kunnen aankloppen voor financiële hulp in noodgevallen. Maar hopelijk gaat het nu wel goed met haar zoon en schoondochter, wat betreft de betaalde brandschatting voor Middachten.

    Brieffragment over de geldzorgen

    [ 400f bedraecht ] daer ick als noch geen raet toe weet
    daer om uhEd wel seijt dat wij op alles de menaesge1Menage: zuinig beheer der inkomsten, het betrachten van zuinigheid
    moete soecke bevinde het voor waer wel, heb ock aende heer en vrou van ginckel geseijt dat sij geen staet meer op ons sulle
    konne maecke dat ick hoope haer goet nu met die brant
    schattin te geefve vrij sal sijn, ick leg alles so naeu over
    alst moogelijck is konsidereerende dat wij alles quijt sijn
    ick wort out en uhEd met al die swaere fatigees2Vermoeidheden (van het werkwoord fatigeren)
    van so lange en int felste van de winter te reijse
    sal ock wel tien ijaere ouder sijn als deselfs ijaere
    meede brenge, wij sijn ongeluckich dat ons deese tij=
    de in onse ouderdom overkoome dan wat sulle
    wij doen moeten ons de wil des alderhoochste onder
    werpen hem bidde dat wij door deese sijne roede van
    ons sondich leefve mooge gebeetert worden [het welcke]

    Oud en moe

    Het verdriet spat van het papier, want ze beklaagt zich over haar ouderdom, en die van haar vermoeide en verzwakte man, die in de kou zit. Het is een groot ongeluk dat ze op hun leeftijd deze ramp moeten doorstaan. Moge hun zondige leven maar verbeteren!

    In een eenvoudig interieur zitten twee figuren te bidden aan een tafel. De voorste figuur zit op een stoofje en heeft zijn hoed afgenomen.
    Biddend paar, Jan de Visscher, naar Adriaen Brouwer, 1661 – 1726, Collectie Rijksmuseum.

    Amoers maken

    Tussen de zorgen over geld en de oorlog door deelt Margaretha een nieuwtje over haar neef Wellant in haar brief: het schijnt dat hij avances maakt bij Juffrouw van der Wijlle. Wie deze dame precies is, blijft onbekend. Margaretha is niet zeker of het een serieuze zet is van haar neef, of gewoon een pleziertje tussendoor…

    Een man probeert een vrouw te verleiden door haar oesters aan te bieden, een lustopwekkende delicatesse. De man (Van Mieris zelf) heeft succes: de vrouw (Van Mieris’ echtgenote) toont hem uitdagend haar boezem.
    Het oestermaal, Frans van Mieris de Oude, 1661, Collectie Mauritshuis.

    Wijn, zadels en kaas

    Terwijl ze hierover schrijft, ontvangt ze een aantal pakketten. Er is wijn aangekomen en eindelijk zijn daar de manden met zadels! De zadels heeft ze zelf al op 30 september vorig jaar naar Hamburg gestuurd, omdat haar man dat vroeg. Nu zijn ze terug zodat hun zoon ze kan gebruiken. Ze is van plan om rustig van de wijn te genieten. Over boodschappen gesproken, de Parmezaanse kaas is nog steeds niet aangekomen in Breda, en ze vraagt zich af of haar man binnenkort grasboter voor haar kan regelen. Hoewel grasboter in de Republiek ook verkrijgbaar is, is de prijs ontzettend hoog. Waarom? Ze herinnert haar man aan de waterlinie, die nog steeds in stand is, waardoor veel landen en graslanden nog steeds onder water staan en veel dieren sterven door gebrek aan voedsel.

    Brieffragment over de amoers, de zadels, de wijn, de prijs van boter

    [meent hij in Een ordinaris soude gegaen hebbe,] het schijnt hij de Amoers aen Juffrou vander wijlle maeckt oft hem Ernst is weet ick niet, dus int schrijfve ontfange ick de rinse bleecke3Waarschijnlijk Rheinische Bleichert, een wijn uit de buurt van Linz onder Bonn
    met de mande met sadels daer voor uhEd hoochlijck
    bedanck
    het is al Een goet vat mooge wijt gerustelijck geniete sulle
    daer verde inde soomer mee koomen ick drinck noch over
    de tweede oxshooft4Oxhoofd: 231 liter wijn vande heelle winter, als nu de
    nieuwe gras booter opgeleijt wort die duere kan en men
    van daer 2a 300 pont die goet waer kost sende soude heel
    wel koome want ongetwijfelt sal de booter hier seer dier
    sijn vermidts der so veel lant noch onder water leijt
    en so veel beeste bij gebreck van voer sterfven, [meeste]

    Ontbijtstuk met kaas, ham en kelken, Jacob Foppens van Es, ca 1630. Collectie Nationalmuseum Zweden (foto: Anna Danielsson).

    Toch nog een financiële meevaller?

    Plotseling komt de klerk Vos binnenlopen. Hij vertelt Margaretha dat de 10.000 gulden is toegezegd. Ze is dankbaar jegens de Amsterdammers in de Staten van Holland. Haar harde werk lijkt effect te hebben gehad. Tenminste, er is toezegging gedaan, maar of het geld daadwerkelijk snel haar kant op komt, is nog maar de vraag…

  • Geen man, geen geld, geen hoop op vrede

    DatumPlaats
    Geschreven31 maart 1673 Den Haag
    Ontvangen5 april 1673Hamburg
    Lees hier de originele brief

    Godard Adriaan blijft in Hamburg

    Tekening van een poort. Links staat dwars op de poort een huisje of schuur. De poort is hoog met ronde boog, Door de poort gaan net een man op een paard en een lopende man (met hond?). Boven de poort zit overdwars een overkapte loopbrug tussen twee ronde torens. De linker toren zit achter het huisje, on der de rechter toren zit een afgesloten luit. Helemaal links zien we dat er naast het huisje een aarden wal of dijk loopt: er staan hekken die schuin omhoog gaan. Bijna uit beeld staat een boom en op de achtergrond links zien we nog een gevel. Voor op de weg staat het monogram AW.
    Stadspoort te Hamburg (?), vanuit de buitenzijde gezien, Anthonie Waterloo, 1619 – 1690 Collectie Rijksmuseum

    Wat is Margaretha bedroefd dat haar man nog zo veel pijn heeft en ook dat het er toch niet op lijkt dat hij met Waldeck mee naar Den Haag zal komen! Griffier Fagel wist gisteren namelijk te melden dat de laatste brieven van prins Willem aan haar man de bestemming Hamburg hadden, terwijl Waldeck al volgende week verwacht wordt. Het is dan wel duidelijk dat Godard Adriaan niet bij hem zal zijn.

    Brieffragment over de rustwagen

    ick had al gehoopt uhEd met den graef van waldeck1Georg Frederik van Waldeck-Eisenberg Een
    keer herwaert2hierheen sout hebbe gedaen en weet niet wat ick
    dencken sal want gistere bij ockasie3gelegenheid dat ick den heer
    griffier fagel4Hendrik Fagel weegens uhEd rustwage ginck spreecke
    seijde hij mij niet te konne dencke dat deselfve hooger
    ginck5hoger gaan: eigenlijk stroomopwaarts reizen, in dit geval uit het buitenland naar Den Haag komen om dat sijn hoocheijt met de laeste post hem
    briefve aen uhEd had gesonde en belast die op
    hamburch te bestelle, en dat hij griffier niet
    anders wiste of den graef van waldeck wort
    noch deese weeck weer hier verwacht, daer om

    Overigens had Margaretha de griffier eigenlijk aangesproken vanwege de rustwagen. Ook daar mogen ze niet te hard op rekenen, omdat Daniël van Hogendorp, nog steeds doodziek te bed in zijn huis te Rotterdam ligt. Wat Margartha niet weet, is dat hij op het moment dat ze dit schrijft, de vorige dag al is overleden.

    Verbroken zegels

    Gravure van een stapel papieren met daaraan allerhande zegels. Ernaast ligt een zegelring. De zegels liggen waarschijnlijk in de zon, want ze beginnen te smelten. Op de achtergrond een klassieke tuinvaas.
    Gesmolten zegels en een zegelring, Vincent Laurensz. van der Vinne (II), 1714 Collectie Rijksmuseum

    Overigens verzekerde griffier Fagel haar ook dat de Staten-Generaal erg tevreden over haar man zijn, zowel over zijn onderhandelingen als over zijn adviezen, en dat ze Fagel hebben gezegd Godard Adriaan vooral op de hoogte te houden van alle correspondentie. Behalve met Theodore Brasser, vertegenwoordiger bij Brunswijk en Osnabrück, omdat Godard Adriaan daar zelf al mee schrijft. Fagel zei echter ook te merken dat de brieven regelmatig worden onderschept en opengemaakt. Godard Adriaans brief van de 14e aan de Staten was open geweest en wel heel bot en plomp weer dichtgeplakt. Een brief waarin Godard Adriaan verzoekt om naar huis te mogen heeft hij trouwens nooit gezien…

    Brieffragment over de correspondentie

    [gedaen worde,] seijde mij ock dat men heere de state
    volckoome kontentement6tevreden so van uhEd neegoosgasi7negotiatie: onderhandelingen
    als advijse neemen en hem hebbe gelast van tijt tot
    tijt alser Eits voorkomt uhEd kenise daervan
    te geefven, gelijcke hij seijt te doen behalfve van
    de briefve van brasser8Theodore Brasser, vertegenwoordiger van de Republiek bij de Hertogen van Brunswijk in Celle, Wolffenbütel en Hannover en bij de bisschop van Osnabrück om dat die selfs met uhEd
    korespondeert, maer seijt te bemercke dat de
    briefve worde geintersipiEert9intercipiëren: onderscheppen of op gebroocke gelijck
    die vande 14 die uhEd aenden staet heeft gesonde
    was open geweest en wel plomp bot weer toege
    daen, hij seijt ock noijt geen briefve van uhEd
    gehadt of ock niet aenden staet gesien te hebe
    waer in uhEd sijn demissie10ontslag, verlof of om Een keer her
    waerts te doen versocht heeft, so dat die daer
    uhEd inde mijne van mensioneert11mentioneren:vermelden hetselfve aende
    griffier versocht te hebbe niet moet ter hande
    gekoome sijn, [weegens onse ackte van garant]

    Geen geld voor Margaretha…

    Zware houten tafel. de vier poten zijn met elkaar verbonden met latten, daarboven zitten sierlijke ronde vormen. Onder het tafelblad zit een grote kist, met daarop twee rechthoeken als versiering. De hoeken zijn geschubt. Voor op de 'onderlist' zit een zwart slot.
    Betaaltafel waarvan de hoekstijlen boven de poten zijn geschubt met geldstukken, anoniem, 1640 – 1660 Collectie Rijksmuseum

    Het is Margaretha nog niet gelukt het geld voor de derde ordinantie los te krijgen. Ze heeft hem bij de drost van Amerongen in Amsterdam achtergelaten om daarmee naar de ontvanger te gaan. De ontvanger beweert helaas dat het echt niet kan, en dat hij zelfs niet kan zeggen wanneer hij wel kan betalen. Ze vreest dat het hoe langer hoe erger zal worden.

    Brieffragment over het ontvangen van geld door Margaretha en haar drost.

    met de leste post heb ick uhEd geschreefve dat ick de
    tweede ses duijsent gulde heb ontfange, de ordinansi
    vande derde heb ick onder den drost van Ameron
    geleate op om de peninge tot Amsterdam bij den
    ontfanger in te vorderen, doch sien daer voor
    Eerst noch geen raet toe, vermits den ontfange
    seijt hem onmoogelijck te sijn alsnoch tijt te konne
    stelle tot de betaelline, ick sal nae de hoochtijt
    weese ses duijsent gul versoecke maer sien geen raet
    tot gelt of ick schoon ordinansi heb en vrees het hoe
    langer hoe erger sal worde, [dat de heer van ginckel]

    … en ook niet voor van Ginkel

    Voor van Ginkel is de geldkrapte nog erger. Margaretha weet niet hoe hij het zou rooien als hij met vrouw en kinderen niet bij haar terecht zou kunnen. Hij heeft nog steeds geen stuiver van zijn salaris gehad. Niet voor zijn functie als ritmeester en niet voor die als kolonel. Waar moet dat heen? Hij is zojuist teruggekomen uit Gorinchem, en wat hij vertelt over de omstandigheden waaronder mensen en paarden daar moeten leven doet Margaretha nog sterker wensen dat God alles ten goede zal keren.

    Tekening van een water dat links van ons een bocht naar links maakt. Recht voor ons staat een poortgebouwtje met daarachter een houten brug die aan de overkant een ophaalbrug heeft. Rechts in de verte staat een molen. De brug gaat naar een hoog eiland, waar midden op een groot plomp gebouw ligt met een soort dubbele ui dak. In de eerste ronde ui zitten allemaal dakkapelletjes en daarboven zit een kleinere ui als een kers op de taart. Op het eiland staan verder wat bomen en een klein huisje. De oever van het eiland is afgezet met houten hekken.
    Gezicht op Gorinchem, Willem Schellinks, 1637 – 1678 collectie Rijksmuseum
    Brieffragment betaling Van Ginkel

    [langer hoe erger sal worde,] dat de heer van ginckel
    met sijn vrou en kinder niet bij ons was weet voor
    waer niet hoe hijt maecken sou want krijcht alsnoch
    niet Een stuijver van sijn tracktement noch als rit
    =meester noch als kolonel, waer wil dit noch
    heen, so aenstonts komt den heer van ginckel van
    gorckom seijt het droefvich is te zien so de mense en
    en beeste teweete paerde daer wt sien, de heere wil
    ons alles ten beste schicke, [om weegens deese staet]

    Wat vrede konnen wij maken?

    Gaan de onderhandelingen in Keulen vrede brengen? Ze somt, net als in haar vorige brief, nog eens de namen van de personen op die zullen worden afgevaardigd. Margaretha heeft er niet veel vertrouwen in. Wat voor vrede zal dat worden, want wat valt er te onderhandelen met een koning die alles zo heeft als hij het hebben wil? Ze zeggen dat Spanje op het punt staat met Frankrijk te breken, maar dat hadden ze veel eerder moeten en of het gaat gebeuren is nog maar de vraag.

    Brieffragment vrede

    [hier in verwacht,] ick ben seer swaerhoofdich indeese vreede handel
    konende niet sien wat vreede wij sulle konne maecke met Een
    koninck diet alles naer sijn wens gaet, men spreeckt seer
    dat spange12Spanje staet opt point om met vranckrijck13Frankrijk te breecken
    haddense dat wat Eer gedaen en oft och geschiede maer men
    heeft het so lan geseijt, [farije die gouverneur van Maestricht is]

    Welland moet wieberen

    Plattegrind net een gebied in groen gekleurd. Midden in het gebied is een dorp getekend: een kerk met huizen eromheen en veel groen. Net buiten het dorp ligt een molen. Verder liggen er in het gebied verspreide woningen. In de kaart zijn wegen ingetekend en de suggestie van afscheidingen van weilanden. Rechtsonder liggen meerdere huizen dicht bij elkaar als een soort dorp. Links net naast het groene gebied staat een kerk getekend waarbij staat Serooskerke en een familie wapen dat wit is met drie rode hondekoppen (familie Van Tuyll van Serooskerken). Midden boven staat ook een familiewapen boven een rode band met drie witte ruiten, het stuk daaronder zwart met een witte cirkel met een kruis erin. De tekst is slecht leesbaar. Rechts boven ligt ook  een kerk en daar staat Renesse bij. Daarachter: schoon dorp met hooge boomen en boogaerde. Daarboven een rood familiewapen met een gouden leeuw en onleesbare tekst ernaast. Onder Renesse nog een gebouw: het huis van Moermont.
    Kaart van de heerlijkheid Noordwelle in Zeeland, eigendom van de heer van Welland, anoniem, 1649 – 1658 Collectie Rijksmuseum

    Neef van Welland is naar Zeeland vertrokken, dat werd tijd. Margaretha merkt zuur op dat iedereen die uit Utrecht afkomstig is en er toe doet ondertussen al een keer prins Willem III eer is komen bewijzen, behalve hij. Waarschijnlijk kan hij het zich niet veroorloven en komt hij niet uit met zijn inkomen. Hij heeft de hele winter op Margaretha’s zak geteerd en dat in deze kwade tijden met zware belastingen! Als hij terug is zal ze hem zeggen dat ze de kamer niet langer kan missen. Wat ook waar is, merkt ze op, want ze moet de meubels uit Amsterdam straks toch ook ergens kwijt?

    Brieffragment over Welland

    [het gouvernement had hoore te geefve,] den heer van wellant14Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha
    is Entelijck Eens naer seelant15Zeeland gegaen, al de werlt van wttrecht16al de wereld van Utrecht: iedereen uit Utrecht
    gekoome sijnde hebbe sijn hoocheijt gesien en gesalweert17gesalueerd: begroet behalfven
    hij, sien niet dat hij der nae tracht18er naar tracht:het probeert, wat soude hij sijn kost betaelle
    ick vreese hij met sijn inkoome niet toekomt daer hij alde winter
    de kost bij mij heeft gehadt, met deese quade ijaere indewelcke
    so swaere schatine moete gegeefve worde, ick sal als hij weerkomt
    hem segge dat wij die kamer niet langer konne misse gelijcke het
    waer is so ick onse meubele en alt goet van Amsterdam hier
    brenge salt daer op moete sette, nu ick verlange met de naeste
    post te hoore in wat Ent vande werlt19aan welk eind van de wereld: waar in de wereld

    uhEd is, hoope de heer almach
    =tich deselfve sal geleijde, blijfve
    uhEd getrouwe wijff
    M Turnor

  • Ameide overvallen

    DatumPlaats
    Geschreven28 november 1672Den Haag
    Ontvangen6 december 1672Rüsselsheim
    Lees hier de originele brief

    Onstuimig en vochtig weer

    Margaretha heeft de afgelopen nachten niet goed geslapen: het heeft een paar dagen gevroren zodat een Franse oversteek van de waterlinie als een zwaard van Damocles boven Holland hing. Gelukkig is het nu weer stromachtig en nat. Helaas is dat ook nadelig voor de voortgang van de troepen van Willem III en de Keurvorst van Brandenburg, want over modderige wegen marcheert het niet makkelijk. Margaretha verzucht dat het in de winter ( ‘t is winterdag) dus eigenlijk nooit goed is, of het nu vriest of dooit. De Heer zal ons bijstaan, want menselijke hulp komt veel te langzaam.

    Brieffragment over het onstuimig weer

    hier hebbe wij almeede Eenige dagen vorst en vries
    =sent weer gehadt dat ons seer bekomeerde1dat ons zeer bekommerde:waar we ons veel zorgen over maakten en
    ongerust deet slaepe, nu ist onstuijmich en voch
    =tich weer het welck geloofve niet goet voor de
    marchs so voor de troepees vanden heere keurvorst
    als voor sijn hoocheijt sal sijn, tis winter dach
    t moet vriese of nat weer sijn dat ons beijde moet
    inkomodeere2incommoderen:hinderen de heer almachtich wil ons bij staen
    en te hulpe koome menselijcke hulp isser voor ons
    niet dat komt alle so lancksaem bij datter niet
    te verwachte is, [men spreeckt hier seer wonderlij]

    Een ets van een landschap met rechts een boom die naar links waait. Links daarvan loopt een weg en links daarvan een beek. Links van de beek meer bomen die duidelijk bewegen in de wind. Voor op de weg een paar reizigers. Twee te voet en twee te paard. De ene te voet heeft zijn rug naar de wind gekeerd, de ander loopt met zijn neus in de wind.
    Landschap met reizigers verrast door onweer, Adriaen Frans Boudewyns, naar Adam Frans van der Meulen, 1666 – 1681 Collectie Rijksmuseum

    Groote papa

    Met het geld wil het nog niet lukken en van de nieuwe rustwagen voor Godard Adriaan hoort ze ook niets meer, maar gelukkig is er ook goed nieuws: Welland eet weer aan tafel en is gisteren zelfs naar de kerk geweest. Bij Tietge zijn de pokjes al aan het indrogen en af aan het vallen. De andere kleinkinderen en hun moeder zijn gezond. In een naschrift doen ze grootpappa allemaal de hartelijke de groeten, in het bijzonder Frits.

    Brieffragment met de ps en de groeten van Ursula Philippota en de kleinkinderen

    de vrou van
    ginckel met
    al haer kindere
    preesenteere haere dienst
    so doet insonderheijt frits
    aende groote papa
    vande rust wage hoor ick
    niet daerom geloof daer
    niet ingedaen is,

    De overval op Ameide of ‘de Slag bij Sluis’

    Maar na dit huiselijke ps-je volgt er nog een alarmerend tweede naschrift: Ameide, tot nu toe in handen van het Staatse leger, is overvallen door vijfhonderd Fransen! De troepen van kolonel Bampfield zijn er vandoor gegaan en nu hebben de Fransen de achtergebleven zieke soldaten vermoord en zowel het dorp als een boot van het Staatse leger in de fik gestoken. Er lijkt weer plichtsverzuim in het spel te zijn geweest.

    Fragment over Ameide

    nu komt tijdine3tijding:nieuws dat de franse met 500 man van ach=
    =tere sijn op Armeijde4Ameide ingevalle ent
    selfve van panfijl5 Joseph Bampfield, Brits kolonel en bevelhebber van Staatse troepen in Ameide die daer komandeerde
    en donse verlaete sijnde, hebbense
    het selfve aen brant gesteecke en al
    de siecke soldate en andere diedaer
    laechge vermoort den wtlegger6uutlegger, uitlegger: vaartuig met weinig diepgang, voorzien van geschut. Vanaf het water hield het Staatse leger hiermee de toegangswegen die tot achter de waterlinie liepen onder schot die
    daer lach hebbense ock aen brant gestee
    het schijnt hier alweer wat versuijm bij
    de onse is geweest,

    Met de hand getekend kaartje, onderaan de rivier in blauw met getekende golfjes. Bovenlangs loop rechts direct langs de rivier een bruine dijk/weg. Daarboven is een dorp getekend. Er staat met potlood Ameijde bij. Links van het dorp buigt de dijk af. Het stuk tussen de dijk en de rivier is geel en daar zijn zeven molens in getekend.
    Ameide aan de Lek. Fragment van een kaart (noorden beneden, zuiden boven) van de rivier de Lek ten oosten van Ameide en Jaarsveld, 1631, door Hz. de Hoy. Collectie Het Utrechts Archief . De afgebeelde molens, in het buurtschap Sluis, werden ook vernield. Zij waren van belang voor de waterlinie.

    Tweeduizend Koerlanders

    Her en der is er wel versterking voor het Staatse leger, maar dat is in de noordelijke provincies. Tweeduizend Koerlanders zouden een schans hebben betrokken waar eerst troepen van de bisschop van Münster zaten. Daarnaast is een deel van het regiment van Christiaan Brandt in Staatse dienst gekomen.

    Brieffragment over de Koerlanders

    opt aenkoome van de twee duijsent koer
    =landers7Koerland is een streek in het huidige Letland. De hertog van Koerland was een zwager van de Keurvorst van Brandenburg. Zijn zoon en opvolger, Frederik Casimir, voerde een regiment dragonders aan, waarvan later een deel in Alkmaar werd ingekwartierd. seijtmen dat het bischops volck de
    ijler schans8de ijler schans: waarschijnlijk de Dijlerschans, ofwel de Dielerschanze onder het plaatsje Diele , een paar km ten oosten van Bellingwolde over de Duitse grens. soude verlaete hebbe en dat
    de koerlanders daer ingetrocke sijn, men
    seijt ock datter Een gedeelte vant reesgement
    van brant9Dragonderregiment van de Deense officier Christiaan Brandt sou gekoome sijn in onse dienst

    Donker portret van een blozende man. De man heeft een lang gezicht met donkere ogen, blozende wangen en rode lippen. Hij heeft lang, stijl, bruin haar. Hij draagt een kanten sjaaltje met een knoop om zijn hals. Daaronder draagt hij een zwart harnas, in zijn hand heeft hij een zwarte maarschalkstaf. Op de achtergrond een helm met witte veren.
    Frederik Casimir, 1650-98, hertog van Koerland, onbekende schilder. Collectie: National Museum Zweden. Foto: Per-Åke Persson

    Terug naar Amsterdam?

    Deze versterkingen kunnen Margaretha’s zorgen niet wegnemen. Dat Ameide overvallen is, heeft haar doen schrikken. Aanwezigheid van het Staatse leger is blijkbaar geen garantie voor veiligheid. Wordt dit een trend? Ze is bang dat ze toch weer naar Amsterdam moet vluchten met haar bloedjes van kinderen.

    Brieffragment over vluchten naar Amsterdam

    als de vijant onse poste alhier so begint
    aen te doen weet ick niet hoet ons noch
    hier gaen sal vrees ick met de kindere wel
    weer naer Amsterdam sal moeten de
    heere wil ons en die kleijne bloetges maer
    gesontheijt geefve moete wij dan weer
    vluchte sijne wille geschiede hij doet met
    ons naer sijn wel gevalle

  • Pokken, zwijgen en de galg

    DatumPlaats
    Geschreven24 november 1672Den Haag
    Ontvangen29 November 1672Rüsselsheim
    Lees hier de originele brief

    Margaretha schrijft een lange brief aan haar man. Hopende dat ook deze maar op tijd aan komt.

    De Ziekenboeg 2.0

    Ze deelt eerst maar het laatste nieuws over de ziekenploeg: eindelijk gaat het beter met de heer van Welland. Of nou ja, de man zelf blijft nog wel veel op zijn kamer en laat de dokter nog om de dag komen. Maar ondertussen eet en slaapt hij wel goed. Margaretha’s oordeel is dus: beter. Zou zij de eerste vrouw zijn geweest die tussen de regels door over een Man-Flu spreekt?

    Tietge maakt het ook enigszins beter, godzijdank. Haar handen zitten onder de pokken, waardoor het pijnlijk is iemand aan te raken. Maar ergens is dat fijn, want Margaretha is als de dood dat Tietge de andere kleinkinderen zal besmetten.

    de heer van wellant is mijns oordeels wel hoewel hij
    noch sijn kamer hout, hij staet seer opt segge vande
    docktoor die alledaechge en om den anderendach bij
    hem komt, hij Eet wel en slaept wel, onse liefve
    tietge is tot noch toe gesont van harte dan daer is so
    lange de neege dage niet voorbij sijn niet van te
    segge, sij is op haer hande van binne en van buijte
    so wtneemende vol pockges datse niet te sien sijn
    staen heel als Een lichte sweer int aensicht ist
    reedelijck ock so aentlijf maer is so vol pijndat
    mense niet kan aenraecken, [de heere wil haer]

    De politiek praat en de politiek zwijgt

    Uitzoomend naar de landelijke politiek: er is nog steeds geld gebrek voor de oorlogvoering. Zeeland betaalt niet, Friesland weinig en Groningen kan niks geven. Het komt dus op Holland aan. De heer van Ginkel schrijft dat de ruiters die op mars zijn al drie stuivers voor een kan water moeten betalen.
    Men begint nu hier te geloven dat Zijne Hoogheid en zijn leger eindelijk bij de keurvorst zal worden gevoegd. Maar Margaretha bidt er op los, ze durft het bijna niet te schrijven, maar ze ziet het allemaal zeer droevig in. Ze schrijft dat zelfs ‘de wijste en verdienste’ wonderlijke gedachten en speculaties hebben over de komende tijden. Margaretha schrijft die gedachtes maar niet op, dat durft ze ‘de pen niet te vertrouwe’. Helemaal niets opschrijven vindt Margaretha ook niet wenselijk, ze wil haar man toch wel enigszins op de hoogte houden van het gesmiespel in het land.

    Vertellen van een geheim, Noach van der Meer (II), naar Jacobus Buys, 1778 – 1785. Collectie: Rijksmuseum

    Nog geen ijs

    Van wonderlijke speculaties springt ze naar het weer. Het is een opluchting dat het weer nog zo goed blijft en dat het nog niet aan het vriezen is geslagen. Want zodra het ijs er ligt…

    [om gaet en watter al geseijt wort,] wij sijn geluck
    =kich dat hier noch so open weer blijft soot Eens be
    =gint te vriese ent ijs leijt salmen hier seer be=
    komert voor Een overval sijn, deen seijt dat den
    vijant het ooch noch seer op Amsterdam heeft en
    andere dat se hier Een roof sulle soecke te hae
    =lle insoma1In somma: kortom men weet niet wat men best doen
    sal, [ick raede de vrou van ginckel het gaen]

    Dat brengt haar ook weer bij een ander zorgenkind: Ursula Philippota praat nog steeds over een vertrek naar Gelderland. Ook andere dames spreken van een vlucht. Maar het blijft onzeker waar de vijand het eerste zal toeslaan zodra het water van de waterlinie in ijs is veranderd. Zucht, ze weet ook niet wat ze moet, en legt het daarom maar voor aan haar man, hopende op zijn wijsheid.

    Gezicht aan de Vecht, Abraham Rutgers, ca. 1682 – ca. 1699. Collectie: Rijksmuseum

    Galgje spelen bij de Dom

    Ondertussen zijn er geruchten uit Utrecht. Het lijkt erop dat Luxemburg van plan is te vertrekken, waarna hij vervangen zal worden. En er schijnt ook een hoop tumult te zijn onder de burgers van de stad. Ze keren zich fel tegen een aantal regenten en verbeelden wellicht iets te visueel hoe ze tegenover het lot van deze regenten aankijken. Voor de Dom(kerk) en op andere plaatsen hebben ze een grote galg geschilderd en daaronder de namen van de zeven regenten geschreven. Margaretha vindt het vreselijk dat ‘die mensen noch niet getemt sijn en so oproerich blijve’.


    Na deze visuele beschrijving sluit ze haar brief af.

  • Half gasthuis

    DatumPlaats
    Geschreven17 november 1672Den Haag
    Ontvangen26 november 1672Rüsselsheim
    Lees hier de originele brief

    Margaretha schrijft een korte brief want er gebeurt niets dat schrijvenswaardig is. Ze heeft het over de gebruikelijke bureaucratische beslommeringen en Welland blijft nog op zijn kamer maar is eerder beter als erger.

    Prent van drie artsen die behandelingen uitvoeren op de voorgrond (beenbreuk zetten, operatie aan steen en oogkwaal). Daarachter een zaal (het gasthuis) met links allemaal bedden met zieken en rechts de apotheek met een grote kast met potten
    Het gasthuis, ca. 1700, Johannes van Bevoort, 1690 – 1710 (fragment). Collectie Rijksmuseum

    Utrechtse politiek

    Twee Utrechtse heren, de heer van Aertsbergen en de heer van Zuylen, komen langs om de politieke banden weer een beetje aan te halen. De heer van Zuylen heeft Godard Adriaan geschreven, maar weet niet zeker of de brieven aangekomen zijn.

    Brieffragment zieke Welland en Utrechtse politiek
    Brieffragment heer van Zuylen en heer van Aertsbergen

    ordinansi kan krijge, de heer van wellant
    hout noch al sijn kamer doch is meer beeter
    als Erger, den heer van Aertber1Heer van Aartsbergen: Gerlach van der Capellen en suijle2Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken
    die vandaech hier geweest sijn preesenteere
    haeren dienst aen uhed den leste seijt wel
    drije a vier briefve aen uhEd geschreefve
    te hebbe die hij niet weet of uhEd heeft ont
    =fangen, vande heer van ginckel hoore wij

    Zorgen

    Aan het eind van de brief zijn er toch nog wat zorgen. Zo heeft Margaretha al niets van haar zoon gehoord sinds hij op veldtocht is.

    Andere zorgen zijn er over de ziekenboeg. De afgelopen brieven werden overheerst door het geweld van de Fransen en het ziektebeeld van Welland. Kennelijk gaat het inmiddels goed met het zieke personeel en zijn de kleinkinderen niet ziek geworden. Tot nu toe. Helaas is Tietge toch ziek geworden, ze doet niets anders dan slapen. Margaretha is bang voor de pokjes.

    brieffragment gasthuis

    seedert de marsch ock niet de heer hoope ick
    sal hem bewaeren, inwiens bescherminge
    uhEd beveelle, blijfve

    Mijn heer en lieste hartge

    uhEd getrouwe wijff
    M Turnor

    onse kleijne
    dochter tietge
    is vandaech sieck
    geworde doet haest
    niet als slaepe ben
    beducht oft pockges
    mochte sijn, Een knecht
    vande heer van wellant
    is ock sieck so dat wij hier
    het halfve gasthuijs hebbe
    hoope het haest beete sal

    Pokken

    Zwartwit foto van een dreumes met de oogjes dicht en het hele gezichtje vol met pokken
    Glasdia van een patient (gezicht kind) met pokken, Rotterdam 1929, maker Laboratorium voor Gezondheidsleer der Universiteit; Amsterdam. Collectie Rijksmuseum Boerhave

    Haar zorg om de pokjes is begrijpelijk. Wij denken aan de vrij onschuldige waterpokken, maar veel mensen gingen dood aan de “echte” pokken. Bovendien lieten die vaak littekens achter op je gezicht: letterlijk een pokdalig gezicht. De pokken waren erg besmettelijk, dus het is geen wonder dat Margaretha daar beducht op is. Pas halverwege de achttiende eeuw wordt er geëxperimenteerd met de inoculatie met koeienpokken, de voorloper van de huidige vaccinatie.

  • November slachtmaand

    DatumPlaats
    Geschreven14 november 1672Den Haag
    Ontvangen22 november 1672Rüsselsheim
    Lees hier de originele brief

    Gezonde trek

    Patiënt neef Welland blijft kwakkelen. Hij ligt tot ’s middags op bed en komt niet uit zijn kamer. Margaretha vind dat hij minder naar de dokter moet luisteren en meer aandacht moet besteden aan wat uit de keuken komt. Sinds ze dat tegen hem gezegd heeft lijkt de koorts te minderen en krijgt hij wat smaak in ‘t eten. Wie weet wordt hij nu snel beter.

    Brieffragment over neef Welland

    Den heer van wellant leijt noch tot de middach opt bed
    hout dan voort sijn kamer staet al te seer op de
    ordere vande docktoore. Sint ick hem dat wat heb afge
    =raede en hij hem wat met de keucken meer hout be
    =gint het kontiniweel binekoortge1voortdurende verhoging, lichte koorts dat hem seer
    matteerde2afmatten, vermoeien wat te mindere en hij wat smaeck int
    Eeten te krijgen hoop het nu wel gaen sal,

    Margaretha slacht twee varkens

    Om de meer of minder gezonde trek van alle zieken en niet-zieken steeds te kunnen stillen, moet Margaretha natuurlijk wel zorgen dat in de keuken de voorraad steeds op peil is. Ze heeft een half beest (waarschijnlijk een koe) aan de haak gekocht en zal morgen twee varkens slachten. Het is tenslotte november, de slachtmaand. In een tijd zonder koelkasten is dat de tijd van het jaar dat je vlees makkelijker goed kan gaan houden omdat de temperaturen voorlopig laag zullen blijven. Margaretha hoopt dat de Heer hen het vlees in vrede zal laten genieten.

    Brieffragment over de slacht

    ick heb een half beest aenden haeck gekocht en
    sal merge twee verckens slachte de heere wil
    ons in vreede laete geniete

    Gewassen pentekening van een man en vrouw die op een kleine binnenplaats tussen de huizen gebogen staan over een bak. De mand heeft een bijl in zijn handen, de vrouw een varkenspoot.
    Varkensslacht, Cornelis Ploos van Amstel, naar Jan Saenredam, 1778 – 1787. Collectie Rijksmuseum

    Margaretha slacht de kinderen?

    In de bezette gebieden is de vrede voorlopig nog ver te zoeken. Drie dagen geleden is heel Loenen afgebrand, met uitzondering van een brouwerij. Ze haast zich meteen te zeggen dat ze dat alleen schrijft om hem op de hoogte te houden en niet om hem ongerust te maken. Blijkbaar hebben eerdere brieven die uitwerking gehad en heeft hij zich daarover beklaagd. Dat was helemaal niet haar bedoeling, ze meende dat ze naast God ook bij elkaar hun troost moesten zoeken.

    Brieffragment over Loenen en waarom Margaretha alle ellende schrijft

    [trackteert sulle worde,] drije dage geleede hebbe de
    franse het dorp loenen gans afgebrant daer niet
    als eene brouwerij is blijfve staen. ick schrijf dit
    alleen om uhEd bekent te maecken wat hier passeert
    en doet mij leet mijn breifve deselfve so veel onrust
    hebbe bijgebracht. Kan verklaere het met sulcke
    intentie niet is geschiet en sa maer meenende wij
    aen den andere ons troest naest god moste soecke

    Kinderen slachten

    Maar omdat het hem blijkbaar verdriet doet, zal ze ‘de kindere slachte’ hem om vergeving vragen en beloven dat ze het niet meer zal doen, wat er ook gebeurd, en God bidden dat Hij hen bij wil staan en haar met de vier lieve kinderen van de vijand wil bevrijden en Godard Adriaan voor alle ongelukken wil bewaren.

    Brieffragment over het slacht van de kinderen

    doch de wijlle uhEd dit faescheert3fascheren: verdriet doen sal ick de kindere
    slachte4op de manier van de kinderen, zoals kinderen doen en deselfve om vergifnisse bidde en segge
    dat ickt niet meer sal doen het gaet dan hoet
    gaet, god bidde dat hij ons wil bij staen en mij met
    mijn vier liefve kindere van den vijande bevrijde,
    in wiens heijlige bescherminge uhEd beveelle die de
    selfve voor alle ongelucke wil bewaeren dit bidt
    van harte

    Wat schrijft ze nu? Gaat ze de kinderen slachten? Is ze een soort Medea die haar kinderen doodt om haar echtgenoot te straffen? Of moet je het overdrachtelijk zien en lezen als ‘kill your darlings” (in de zin van laten vallen wat je belangrijk vindt) of als een variant op ‘van je hart een moordkuil maken’ (in de zin van je gedachten niet uitspreken, de boel opkroppen)? Hoewel dat laatste letterlijk is wat ze zegt te zullen doen, bedoelt ze hier met ‘de kindere slachte’ volgens de ‘kinderslag’: zoals de kinderen doen. Zoals we bijvoorbeeld ook ‘schoolslag’ (manier van zwemmen voor beginners) kennen of ‘met de Franse slag’ (op de Franse manier). Ze zal zich dus voortaan braaf als een kind opstellen, eigenlijk letterlijk zoals in het sinterklaasliedje ‘Sinterklaas is jarig‘: (…) ‘Maar wie het niet weer doet, en er spijt van heeft, kan er op vertrouwen, dat de Sint hem vergeeft‘.

    Nieuws uit het Zuiden

    Eigenlijk houdt de brief hier op. Ze heeft haar handtekening al gezet. Blijkbaar was het bedoeld als een kort briefje van nog geen anderhalf kantje, waarin ze naast het bovenstaande natuurlijk ook nog even aandacht heeft besteed aan de ordinantie van 6000 gulden die ze nu echt déze week verwacht. Maar er komt nog een extra anderhalf kantje achter aan: de post uit Maastricht is binnengekomen. Zijne Hoogheid en zijn leger zijn gisteren en eergisteren bij Mol en Balen gearriveerd, twee plaatsjes halverwege Antwerpen en Maastricht. Er zouden ook 6000 Spaanse soldaten in Luik zijn aangekomen, maar dat is een gerucht dat in Den Haag rond gaat en nog niet uit Maastricht is bevestigd. Niemand weet wat de plannen van de prins zijn, maar men twijfelt er niet aan dat de keurvorst van Brandenburg het ondertussen wel weet, want Willem heeft hem een boodschapper gestuurd.

    Brieffragment met het nieuws dat Prins Willem III in de Spaanse Nederlanden is.

    Met de post van
    Maestricht komt
    tijdine5tijding, nieuws dat sijn hoocheiijt
    gistere en Eergistere
    te mol6Mol (B) en bael7Balen(B) met het bij
    hebbende leeger is geweest het welck so geseijt wort
    wat ter sijde van Maestricht af, meer naer Anwerpen
    leijt, en datter 6000 Spaense binnen Luijk soude
    gekoome sijn dan dit leste sijn maer loopende ge=
    ruchte het welcke niet van Maestricht geschreefve
    wort, niemant weet hier noch het rechte deseijn8Dessein: doel, plan
    van sijn hoocheijt dat wel goet is, men twijfelt niet
    of den Edelman die sijn hoocheijt aende keurvorst
    van brandenburch gesonde heeft is nu al daer, so
    dat men daer nu het deseijn da weet, [de heer wilt]

    Gravure van een huis waar allemaal ladders tegenaan staan, de rechterkant is ingestort en slaan de vlammen uit. Op de voorgrond zijn allemaal mensen met emmers in de weer, emmers liggen ook overal op straat. Met de ladders worden mensen uit het huis gered.
    Burgers met ladders en brandemmers in de weer bij een brand in Amsterdam in 1652. Fragment uit: De brand in het Oude Stadhuis van Amsterdam, 1652. Collectie Rijksmuseum

    Geruchten uit Utrecht

    Verder gaat het gerucht de hele Franse ruiterij uit de provincie Utrecht zou zijn vertrokken. Turenne zou namelijk aan de Hertog van Luxembourg hebben gevraagd of hij alle troepen die hij in Utrecht kon missen naar hem toe zou willen zenden. Door ziekte was zijn leger sterk verzwakt en zou hij anders niet genoeg tegenstand tegen de Duitse troepen kunnen bieden. In het dagboek van de Utrechter Booth staat inderdaad tien dagen eerder vermeld dat 3000 man ruiterij is vertrokken. Een minder prettig gerucht uit Utrecht is dat de Fransen alle brandladders zouden hebben verbrand en alle brandemmers in hebben genomen en achter slot en grendel zouden hebben gedaan. Ze zouden takkenbossen onder de Domtoren hebben verzameld en wat dat zou beduiden… In het dagboek van Booth is hier niets over te vinden. Wel maakt hij die week melding van het feit dat alle brandemmers zijn verzameld in bepaalde huizen en dat voortaan alleen Zwitserse soldaten en speciaal aangewezen burgers branden mogen blussen, terwijl de rest bij brand binnen moeten blijven. Daar zou alsnog dat verhaal uit kunnen zijn ontstaan.

    Brieffragment over de situatie in Utrecht

    men seijt ock dat turaijne9 Turenne aen lutsenburch10Hertog van Luxemburg soude ge
    schreefve hebbe dat hij hem toch alt volck dat hij
    Eenichsins kost misse soude toe sende so dat hij sonder
    t selfve niet bestant was de duijtse troepees te rees
    sesteere11weerstaan doordien sijn leeger seer verswackt is door
    alde siecke die hij had, daer om al de ruijterij
    wt Sticht van wtrecht12Utrecht meest naer turaijne13Turenne toe soude sijn
    men seijt ock datse te wttrecht14Utrecht onder den doms
    toorn15domtoren vol tackebosse hebbe geleijt en alde brant
    leere16brandladders op Een geleijt17op elkaar gelegd hebbe verbrant, alde brant
    Emers18brandemmers op en bij Een gehaelt en wech gesloote
    wat dat beduijt staet te verwachte,

  • Complimentjes maar geen salaris

    DatumPlaats
    Geschreven10 november 1672Den Haag
    Ontvangen16 november 1672Rüsselsheim
    Lees hier de originele brief

    Margaretha’s brief aan Godard Adriaan van 10 november is lang en is grotendeels gewijd aan de bureaucratie van Den Haag. Margaretha jaagt nog steeds achter Godard Adriaans salaris aan, maar lijkt maar geen geluk te hebben. Ze wordt keer op keer van het kastje naar de muur gestuurd en lijkt nog geen stap dichter bij die felbegeerde, welverdiende vergoeding te zijn.

    Complimentjes van de Staten-Generaal

    Geld krijgt Godard Adriaan niet van de Staten-Generaal, maar wel complimenten. De heren der Staten-Generaal bedanken Godard Adriaan voor het werk wat hij doet aan het hof van de Keurvorst. Ook spijt het hen, dat Godard Adriaan al in geen tijden brieven van hen heeft ontvangen. Griffier Fagel had afgesproken met Godard Adriaan dat hij hem op de hoogte zou houden van wat er speelt in Den Haag, maar dat is niet gebeurd. Fagel claimt wel dat het niet zijn schuld is, natuurlijk. Om de pijn wat te verzachten weet Margaretha te vertellen dat Fagel inmiddels wel heeft toegezegd zélf achter Godard Adriaans vergoeding aan te gaan. Of het dan echt gaat gebeuren, blijft natuurlijk de vraag. Fagel roept dit namelijk al langer.

    Brieffragment met de complimentjes van de Staten-Generaal

    doch heeft den grifier fagel mij be=
    looft daer nu sorchge vooor te drage en t selfe
    ter generaEliteijt voor te brenge, ock mij ge
    seijt uhEd met deese post de reesoluijsie van
    haer hooch Mo1Hoog Mogende Heren: leden van de Staten-Generaal alle die der sijn toe te sende, protesteert
    seer dat hem leet doet uhEd geen meer briefve
    krijcht, dat het selfve sijn schult niet is, seijde
    ock dat haer hooch Mo so wel voldaen sijn
    over de meemoorije die uhEd aende keurvorst
    heeft overgeleefvert gelijck deselfve wt de
    brief van haer hooch Mo in dato vande v24
    ockto sal hebbe gesien, [ick dancke godt dat het]

    Tekening van mensen die aan de oever van de rivier zitten. Links een zeilboot, daarachter een roeiboot. Aan de overkant een kerk en een paar huizen.
    Gezicht op het dorp Jaarsveld, Roelant Roghman, ca. 1646 – ca. 1647. Collectie: Rijksmuseum

    Oorlogsnieuws

    De Franse troepen houden het niet bij het plunderen en platbranden van Waverveen: ook Lexmond en Jaarsveld zijn aan de beurt. Lexmond is uitgeplunderd en in Jaarsveld hebben de Fransen een kerk met een huis afgebrand en het dorp geplunderd. Vianen blijft ongeschonden: de vrijstad Vianen maakt officieel geen deel uit van de Republiek en is dus neutraal is de oorlog.

    Terwijl de Fransen huishouden op het platteland is het leger van Willem III nergens te bekennen. Gerucht gaat dat het naar Luik op weg is.

    Brief over de aanval van de Fransen

    so voort laete kontiniweere, viaenne2Vianen is nuijterael
    en de franse hebbe lexmont teenemael wtgeplo=
    = ndert en ijaersfelt3Jaarsveld de kerck met Een huijs afgebrant
    en vangelijcke teenemael wt geplondert, sijnhoo4Zijn Hoogheid, Willem III
    is met sijn bij hebbende krijsvolckere daer de heer
    van ginckel bij is Eergistere opgebroocke waer
    sij heene gaen weet men noch niet men seijt
    wel naer luijck maer ick gelooft niet, de heer

    Tekening (gewassen pentekening) van het 18e eeuws Lexmond:: een pleintje met bomen en een pomp, daarachter de kerk. Rechts een rijtje huizen en links een poortje en een huis. De andere huizen zijn verborgen achter de bomen. Het is een zonnige dag.
    Gezicht op Lexmond, Cornelis Pronk, 1733. Collectie: Rijksmuseum

    Ook op zee is er nieuws. Een vloot bestaande uit dertig dubbel bemande fregatten en talloze branders is uitgevaren onder leiding van Michiel de Ruyter. Margaretha en ieder om haar heen hopen dat hier in de komende dagen goed nieuws uit komt. Ook hoopt ze dat er binnenkort iets meer bekend wordt over de aankomst van het leger van de Keurvorst. Dat is nu al maanden onderweg en lijkt maar weinig dichterbij te komen.

    Brieffragment over de vloot van Michiel de Ruyter

    almachtich wilse geleijde en voor haer trecke, den Admirael
    de ruijter5Michiel de Ruyter is ock met dartich frijgatte die dobbelt gemant6dubbel bemand sijn   
    en Ettelijcke branders7Brander: Een schip, geheel en al ingericht en met vuurwerken en allerlei spoedig brandbare stoffen toegeladen ten einde ‘s vijands schepen aan boord te leggen en ze in brand te steken. in see daer men alledaech verwacht
    en hoopt wat goets van te hoore, vant leeger van de keurvorst 
    verlanckt men nu ock te hoore wat koers die neeme, den heer
    van wellant heb ick hier sieck gevonde en is noch heel
    niet wel heeft Een loop  en Een kleijn koortsge ohoope het
    haest beeteren sal, hier meede blijfve

    Het ongeluk is nog niet klaar met neef Welland8Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha: na alle rampspoed van het afgelopen jaar is hij nu ook nog ziek geworden. Margaretha hoopt dat het snel beter zal gaan met hem. Voor nu valt het gelukkig mee, Welland heeft alleen een beetje koorts.

  • Huishouden in beweging

    DatumPlaats
    Geschreven4 november 1672Amsterdam
    Ontvangen11 november 1672Russelsheim
    Lees hier de originele brief

    Alles lijkt in beweging te zijn in deze brief: zoon Godard en Willem III staan op het punt met onbekend doel te vertrekken, de troepen van de Keurvorst zouden eindelijk eens in beweging moeten komen en Margaretha wil deze week de hele huishouding naar Den Haag verhuizen. Zilver en waardevol linnen laat ze voorlopig in Amsterdam.

    Brieffragment over verhuizing naar Den Haag

    [de heere wilt noch laete kontiniweere,] ick hoop
    merge met godts hulpe met de vrou van
    ginckel en voort de heelle menaesge naer den
    haech te gaen hoope wij daer sulle mooge blijf
    =ven laet ons koffer met silver en dat
    vande vrou van ginckel en voort ons meest
    en beste linne voort meer ander goet dae
    van Een inventaris is gemaeckt hier blijfve, [mij ver]

    Stilleven op de hoek van een tafel: tinnen schenkkan en borden met een geschilde citroen, mes en olijven, een berkenmeier met wijn en een zilveren pronkbeker. Gerret Willemsz. Heda, 1642. Collectie: Rijksmuseum

    Ze springt van de hak op de tak, want opeens gaat het weer over de zadels. Ze heeft gehoord dat die vier dagen na het verzenden al in Hamburg aangekomen waren. En dat is volgens Margaretha al wel bijna twee maanden geleden (in werkelijkheid zijn de zadels op 1 oktober verzonden). En ze blijft maar proberen Raadspensionaris Fagel te spreken over de ordinantie van het geld dat haar man nog tegoed heeft. Maar daar zit dus absoluut géén beweging in.

    Het huishouden

    Die verhuizing dat is nog wel een organisatorische uitdaging, want ze heeft nogal een huishouden om zich heen verzameld met Ursula Philippota en de kleinkinderen. Bovendien is neef Welland1Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, pleegzoon van Godard Adriaan en Margaretha nog steeds in Den Haag. En dat begint Margaretha inmiddels een beetje te irriteren.

    [dat seer difisiel is,] uhEd belieft vrij verseeck
    =kert te sijn dat ick mij inde haech so naeu sal be=
    helpen s en so veel meenaesgeere2Menageren: sparen of ontzien, Margaretha heeft hier een werkwoord gemaakt van het woord ‘menage’ dat gebruikt werd voor ‘zuinig beheer der inkomsten’. Dit is één van de betekenissen van het woord (zie hieronder bij ‘menage’) alst mooge
    =lijck sal sijn het sal ock wel van noode weese
    want heb al Een groote menaesge3Menage betekent hier ‘huishouding’, het werd in de 17e eeuw op beide manieren gebruikt (zie hierboven bij ‘menageren’) de heer van
    wellant is ock bij ons in den haech met 3 knechts
    hij weet niet waer hij blijfve sal kan in geen
    ordinaris4Ordinaris: Plaats waar men voor een vasten prijs kan eten, eethuis. Komt van ordinaris tafel: open tafel. gaen Eeten bij deese tijt, en derft
    ock niet wel naer seelant gaen, ick heb hem
    versocht sijn knechts kostgelt te wille geefve
    en geseijt dat mijn huijs en tafel voor sijn
    Persoon tot sijne dienst is, maer al die knechts
    dat mij dat te swaer soude valle alst waer is
    heb van ons Eijgen met onse kindere Een groote
    meenaesge, en wort out aldie ruijsie5ruzie sou
    mij niet dienen behalfve de groote koste daer
    ick ock niet teege kan, och och uhEd sou niet
    geloofve hoet hier gaet de voornoemde neef
    isser al qualijck aen wenste om veel dat hij

    die komisie bij den kooninck niet gedaen hadt
    dan dat is te laet, [den heer van Albrants=]

    Het huis in Den Haag is niet klein, maar als je al het personeel mee telt, was het toch een vol huis. Alleen Welland heeft al drie knechten. In een andere brief zegt Margaretha dat de zieke kamenier Angenis en Visbach van Philippota zijn. Margaretha’s grote toeverlaat in de huishouding is Sophia Visbach. Zou dat familie van Philippota’s Visbach zijn, of is het gewoon dezelfde persoon, maar is het handiger dat ze bij Philippota hoort als ze ziek is? Ook Margaretha zal een kamenier hebben en er is een keukenmeid Dorit. Uit latere brieven blijkt ook nog dat Philippota een lakei heeft. De ménage telt dan inderdaad al aardig op.

    Welland

    Wat is er met Welland aan de hand? Margaretha’s pleegzoon loopt een beetje met zijn ziel onder de arm. Nog geen jaar geleden leek zijn carrière zo mooi van start te gaan als geëligeerde in de staten van Utrecht. Met de invasie door de Fransen en zijn taak als afgezant naar de Lodewijk XIV, kwam zijn carrière abrupt tot stilstand. Nu heeft hij zich kennelijk vol zelfmedelijden in Den Haag verschanst. Wat moet hij? Hij zou naar Zeeland kunnen gaan, hij immers is heer van Welland en Zoelekerke. Zijn vader heeft hem daar goederen nagelaten, maar wat heeft hij daar verder? Sinds zijn 14e is hij opgegroeid bij Godard Adriaan en Margaretha… Margaretha weet niet zo goed wat ze met deze jongeman moet.

    Herberg met triktrakspelers, Egbert van Heemskerck (I), 1669. Collectie: Rijksmuseum

    Uit eten: de ordinaris

    Margaretha verzucht dat ze haar neef toch niet in een ordinaris kan laten eten. Een ordinaris is een plek waar je voor een vast bedrag aan kon schuiven en mee kon eten wat de pot schafte. De mogelijkheden om buitenshuis te eten waren in de tweede helft van de 17e eeuw in principe ruim voor handen. Er waren altijd al de herbergen, maar er ontstaan halverwege de eeuw ook gespecialiseerde eet- en koffiehuizen. Naast de genoemde ordinaris, waren er bijvoorbeeld ook gaarkeukens: plekken waar ‘bier en wijn en allerhande gare kost’ verkocht werd. Anders dan bij een ordinaris kon je bij een gaarkeuken de hele dag terecht. Herbergen, gaarkeukens en ordinarissen had je in soorten en maten. In een luxere herberg kon je bijvoorbeeld ook in die tijd al op je kamer eten (roomservice!) en om specifieke gerechten vragen.

    Margaretha zegt dat Welland in deze tijd niet bij een ordinaris kan gaan eten. Kennelijk was het het probleem niet zo zeer dat het om een publieke eetgelegenheid ging. Het tijdstip lijkt het grootste probleem te zijn. Het zou kunnen dat de inflatie van het Rampjaar ook de ordinarissen parten had gespeeld. Dat zou betekenen dat de weinige die er nog waren exorbitant duur geworden waren.

    Specifieke informatie over buitenshuis eten tijdens het Rampjaar of eetgelegenheden in Den Haag in de 17e eeuw heb ik zo snel niet gevonden. Interessant (en goed geschreven) is het proefschrift van Maarten Hell over De Amsterdamse herberg (1450-1800).

  • Een brief van de hertog van Luxemburg

    DatumPlaats
    Geschreven13 augustus 1672Amsterdam
    Ontvangen16 augustus 1672Hamburg
    Lees hier de originele brief
    NB: scan 145 rechts (= scan 146) is een los vel. Vermoedelijk hoort dat niet bij deze brief, maar gezien de gebeurtenissen die beschreven bij één van de brieven van 25 of 28 juni.

    Een brief van de hertog

    De klerk Monck had een brief van de Hertog van Luxemburg, gericht aan Godard Adriaan, richting Hamburg gezonden. Maar Margaretha twijfelt of de brief wel aan zal komen. Er wordt namelijk gezegd dat de Fransen de gewone post aan banden willen leggen; ze willen zelf toezien op het postverkeer.

    Brieffragment waarin Margaretha schrijft over de brief van de hertog van Luxembourg

    [de laeste post op hamburch beantwoort,] seedert
    is Een brief de vanden hartooch van lutsenburchde1Hertog van Luxemburg, François Henri de Montmorency Bouteville den
    teegenwoordige komandeur van wttrecht aen uhE
    door de klerck monck gesonde, waervan de kopije
    hier neffens gaen, vermidts so geseijt wort de
    franse de ordinaerisse2Ordinaris=gewoon poste niet meer wille
    laeten gaen maer selfs poste wille legge, vrees
    de ick deese mochte vermist worde, en oordeelle
    de selfve ons ontrent de bewuste Ackte in toekoo
    =mende soude konne diene, heb ick goetgedocht
    uhEd alleen de kopije daer van toe te sende en
    de prinsipaelle bijde voorgaende brief vande state
    van wttrecht te bewaere, [dewijlle hij schrijft]

    Wat stond er in de brief van de Hertog van Luxemburg? Dat wordt niet helemaal duidelijk uit de brief van Margaretha. Maar omdat Margaretha spreekt van een ‘bewuste Ackte [die ons] in toekoomende soude konne diene’, is het zeer goed mogelijk dat Luxemburg hiermee gelast de uit de provincie Utrecht gevluchte inwoners terug te keren. In ieder geval is evident dat Margaretha waarde aan de brief hecht; ze besluit haar man een kopie van het schrijven van Luxemburg te sturen.

    Afbeelding van een krantenartikel
    Artikel uit de Amsterdamse Courant van 13 augustus 1672, met daarin de tekst die Margaretha over reis van haar man heeft laten plaatsen. Zou ze het erop volgende stukje verslaggeving ook geschreven hebben? Bron: Delpher

    Voor de zekerheid heeft de vrouwe van Amerongen in de krant laten zetten op welke dag zij en Godard Adriaan uit Den Haag waren vertrokken en wanneer Godard Adriaan richting Bremen was gereisd. Zo kon de Hertog van Luxemburg zien dat zijn brief pas na het vertrek van Godard Adriaan was aangekomen en hij de brief dus niet had kunnen lezen. Toch vreest Margaretha voor Luxemburgs ‘quaet [kwaad] en onrechtmaetich deseijn [plan]’, ze had van Welland en Van der Does vernomen hoe het er in de provincie Utrecht aan toe ging.

    Op de voorgrond woelige baren met een pier en daarachter Harlingen
    Haven van Harlingen van de Zuiderzee te zien. M.D.D. de Jong, ca. 1780, Collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen
    Fragment waarin Margaretha schrijft over haar vertrouwen in de kwade bedoelingen van hertog van Luxemburg

    [van wttrecht te bewaere,] dewijlle hij schrijft
    wt de gasettees3gazettes gesien te hebbe Etc heb ick inde
    korante4courant laeten sette den dach waneer wij wt den
    haech sijn gegaen en ock deselfe dat uhEd van hier
    is tseijl5te zeil, uitgevaren gegaen, op dat hij daer wt kan sien
    sijn brief naer uhEd vertreck Eerst hier kan
    sijn gekoomen, hoewel ick vreese het niet sal helpe
    en sij met haer quaet6kwaad en onrecht maetich de=
    =seijn7Dessein=plan, doel Evewel sulle voort gaen, so ick wt onse
    twee vriende die hier geweest sijn gelijck wt
    mijne laest sult sien, [heb verstaen, dieselfve]

    Overigens zijn Welland en Van der Does weer naar Utrecht vertrokken, maar niet met de intentie daar lang te blijven.

    Een exorbitant bedrag

    Ook de intendant van Utrecht, Louis Robert (die overigens door Margaretha in deze brief niet bij naam genoemd wordt), verschijnt in deze brief op het toneel. De intendant had een vergadering van de Staten van Utrecht bij elkaar geroepen. Voor het onderhoud en de betaling van de militie eiste hij een exorbitant bedrag van maar liefst 4000 gulden per dag. Margaretha vraagt zich af hoe Utrecht dit bedrag moet ophoesten.

    Fragment waarin Margaretha schrijft over de eisen van de Franse intendant in Utrecht

    ick hoore en wort voorseecker geseijt dat den inten=
    =dant die tot wttrech voorleedene saterdach naer
    de Middach de state had doen vergaederen
    aldaer ter vergaderin vande selfve heeft geEijss
    4000f daechs tot betaeline en onderhout van
    haer meelijsie8militie, waer op hem soude geantwoort
    sijn sulcks onmoogelijck te weesen de wijlle alles
    bedurfven was so soude hij noch op 4000f daechs
    gekoome sijn, hoe sij dat noch sulle op brenge sal te
    besien staen, [den Advokaet de raet soude hier seer]

    Gedenck-teecken hoedanich Zyn Hoogheyt de Hr. Prins van Oranje en Nassou etc. als Stadt-houder door de Hr. Burgermeesteren, Cavallery, en manhafte schutters der stadt Amsterdam aldaer, den 12 Augusty 1672 ingehaelt, en den 15 dito uytgeleyt is. Fragment uit gravure van Romeijn de Hooghe (1672). Collectie Stadsarchief Amsterdam

    De Prins en de Ruwaard

    In Amsterdam is de Prins van Oranje door de ruiterij en de schutterij met grote vreugde ontvangen. Ondertussen zat Cornelis de Witt, de Ruwaard van Putten, achter slot en grendel in de Gevangenpoort. Margaretha schrijft dat, zo werd gezegd, hij vanuit zijn cel zicht heeft op De Plaats. Ze zegt het er niet expliciet bij, maar hij kijkt uit op hun Haagse huis, op de hoek van de Plaats en de Kneuterdijk.

  • Heel in de klem!

    DatumPlaats
    Geschreven9 augustus 1672Amsterdam
    Ontvangen14 augustus 1672Bremen
    Lees hier de originele brief

    Margaretha heeft in Amsterdam afscheid genomen van haar man, die naar Harlingen is vertrokken om daar de boot te nemen naar het oosten. Direct is er weer de gebruikelijke zorg of hij veilig zal aankomen op zijn bestemming.

    Neef van Welland

    Als Godard Adriaan al onderweg is, krijgt Margaretha bezoek van haar pleegzoon Welland, Goderd Willem van Tuyll van Serooskerken, en de Amerongse buurman, de heer van Bergesteijn, Jan van der Does. Beide heren zitten in een benarde situatie sinds ze bij Lodewijk XIV op bezoek zijn geweest om te onderhandelen over Utrecht. Ze worden met de nek aan gekeken en ze hoopten advies te krijgen van Godard Adriaan voor hij zou vertrekken, maar ze zijn net te laat. Godard Adriaan blijkt overigens weinig sympathie te hebben voor het gedrag van zijn neef. Inmiddels is het standpunt van de Republiek duidelijk: er mogen geen onderhandelingen meer plaatsvinden met de vijand en elke twijfelaar of enigszins Frans gezinde wordt zelf vijand. Zijn neef leek hierbij aardig in de buurt te komen.

    deese merge heb ick uhEd aengenaeme wt herline1Harlingen
    ontfange, waerwt met aengenaemheijt sien
    uhEd geluckige overkomste tot daer toe, gistere
    is de wint wel drije mael goet en weer quaet
    geweest, hoope de heer almachtich uhEd verder
    sal geleijde en ter gewenste plaetse sonder on=
    geluck brenge het welcke wel met verlange
    sal verwachte te hooren, voorleedene sondach
    kort aende middach is den heere van bergesteijn
    en wellant hier gekoomen met hoope van uhEd
    noch te vinde den derde is noch tot wttrecht ge=
    bleefve, voorleedene saterdach waeren de state

    van wttrecht gelaede2laden=uitroepen door den intendant3De intendant was door de Fransen aangesteld om een gebied te besturen om
    naerde middach ter vergaderen, wt vreese
    dat hij haer den eet soude voorgeleijt hebbe te
    doen sijn deese twee vertrocke en harwaerts
    aengekoomen, den darde had belooft haer
    aenstonts te schrijfve tot wat eijnde die ver
    gaderinge was geleijt, het welcke tot gister
    avont toe niet is geschiet, [daerdoor sij in]

    De Fransen hebben de Staten van Utrecht bij elkaar geroepen maar Bergestein en Welland durven niet te gaan. Ze vermoeden dat ze een eed van trouw aan de Franse koning moeten afleggen en dat willen ze niet. Ze zitten in een vergelijkbare klem als alle Utrechters in Holland: blijven ze in Utrecht dan zijn ze een verrader van de Republiek, blijven ze in Utrecht dan raken ze waarschijnlijk al hun bezittingen in Utrecht kwijt. Godard Adriaan raadt ze per brief nog aan zich in ieder geval laag bij de grond te houden.

    10.000 man in en om de stad

    Inmiddels vestigen de Fransen zich steeds dieper in en om de stad Utrecht. De Fransen hebben geëist dat de provincie Utrecht de Franse militie betaalt. Margaretha heeft er een hard hoofd in en vraagt zich af hoe de provincie het geld ooit zal kunnen opbrengen. En tussen de bedrijven door beklaagt ze nog het lot van de arme neef van Welland: hij zit nu wel heel in de klem!

    [willense geensins doen] de tijdinge van wttrecht
    sijn dat de franse begeere dat die provinsie haer
    meelijsie die sij in en om de stat hebbe bestaende in 10000 man of daer ontrent sulle
    betaelle, waer sijt haelle sulle dewijlle alles
    bedurfven is weetense niet mij ijamert onsen
    armen neef van wellant die nu heel inde klem
    is [neffens dees neefensgaende vanden heer]

    De Mauritspoort van het Binnenhof met rechts het hek van het Mauritshuis. Het gebouw daarachter is de Kastelenij. Foto: W.F. Vinkenbos (ca. 1885). Collectie Haags Gemeentearchief
    De kastelein moet zorgen voor mensen die in voorlopige hechtenis zijn genomen. De kastelenij zoals die op de foto staat is tussen 1600 en 1630 gebouwd.

    Van de Kastelenij naar de Gevangenpoort

    Tot slot heeft ze het over een brief die ze mocht ontvangen van de heer van Renswoude. Deze stuurt ze naar haar man door en de inhoud zal hem vast een frons op zijn gezicht bezorgen. In de brief staat dat Margaretha gehoord heeft dat Cornelis de Witt van de kastelenij op het Binnenhof naar de Gevangenpoort is gebracht. Dit betekende dat hij van “gewoon” arrestant opeens officieel verdachte is geworden. Of zoals Margaretha schrijft: er zijn grote ‘beswaernisse tot sijne laste’ ingebracht. Voelt Margaretha de gewelddadige storm die de broers de Witt zullen treffen al aankomen?

    [is] neffens dees neefensgaende vanden heer
    van rhijnswoude die ick opende om te sien ofse
    waert was voort te sende, schrijft vos dat
    hij saterdach savonts ontrent de klock
    half elf heeft gesien den ruwaert van
    putte wt de kastelenij op de poort brenge
    daer bij voechgende dattergroote beswaer=
    =nisse tot sijne laste waeren ingebracht,
    voort weete ick niet meer, de heer almachtich wil
    uhed geleijde en een voorspoedige en geluckige
    reijse verleene, dit bidt en wenst van
    ganscher harte