Tag: Berbarisvaerders

  • Philippota, ga toch weg!

    DatumPlaats
    Geschreven6 februari 1673De Haag
    Ontvangen19 februari 1673Bielefeld
    Lees hier de originele brief

    De vorst waar Margaretha in haar vorige brief over schreef zet door maar haar bondigheid niet. De brief van 6 februari is weer erg lang. Den Haag is nog steeds gevuld met angst en chaos. Het Staatse leger is gelegerd bij de Gouwsluis in Alphen aan de Rijn en schijnbaar vluchten de Hagenaren naar het leger of andere steden toe. Den Haag heeft geen stadsmuren en is dus niet de veiligste plek om te verblijven. Helaas heeft niet iedereen een keuze: de situatie is zo dringend dat, op orders van Willem III, boeren en burgers op straffe van lijfstraf gedwongen worden het leger te ondersteunen.

    Voor Margaretha is de veiligheid van haar kleinkinderen veel belangrijker. Nu de spanning oploopt, lopen ook de ruzies tussen haar en de zwangere Philippota op. Philippota doet weer eens niet wat Margaretha wil en blijft in Den Haag, ondanks het feit dat Amsterdam veiliger is. Het lijkt wel een herhaling van juni 1672, toen Philippota koste wat het kost in Utrecht, dichtbij haar man, wilde blijven.

    Brieffragment over de vlucht uit Den Haag en het blijven van Philippota

    alde burgerij is wt den haech naert leeger
    so dat het hier gans leech is, voort vluchten alle
    mense wt den haech gaen inde steede, tis niet
    te segge so droefvich het staet ick had gaern
    dat de vrou van ginckel met haer kindere
    naer Amsterdam ginck daer sij noch niet aen
    wil meent al dat het noch vroechgenoech is en
    alst der op aen sou koome sal ick met al de
    kinderen geen raet weeten hoop sij noch merge
    sal gaen, [men gelooft sijn hoocheijt selfs Eits]

    Gedonder met de post

    Ook het constante geklungel met de post zit Margaretha hoog. Hoe bedroeft is het dat hun brieven zo laat, of zelfs niet, aankomen? Aan Philippota kan ze niets doen, helaas, maar aan de post wel. Franco Bisdommer was een vertrouweling geweest van Johan de Witt en hij was commissaris van de uytheemse brieven. Hij zegt dat hij niet meer via ene Strijker verstuurt, maar direct naar Duitsland. Volgens hem is er geen probleem. Margaretha heeft er kennelijk nog niet veel vertrouwen in, want ze wilde hem nog een keer spreken, maar hij was niet thuis.

    Brieffragment met over post via Bisdommer

    uhEd vanden 23 ijanwa is mij gistere be-
    handicht, tis toch bedroeft dat al onse briefve
    so lansaem overkoome ick heb voordeese bisdon1Franco Bisdommer
    daer van gesproocke die verwondert was
    seijde de briefve niet meer aen strijcker te sende
    maer Een rechter wech gevonde te hebbe,
    dat so schijnt al Eens te sijn, ick heb hem
    gistere of vandaech niet thuijs konne vinde
    sal hem vandaech noch sien te spreecken,
    ent hem wel dicht segge, briefve die van sulcke
    inportansi sijn behoordense met Espresse te
    sende [raefvenhooft is hier geweest sijn hooch]

    Het irriteert Margaretha zodanig dat ze later in de brief opnieuw hierover begint. Waarschijnlijk is dit stuk later geschreven dan het eerdere fragment want ze heeft nu eindelijk gesproken met Franco Bisdommer. Hij herhaalt eigenlijk hetzelfde en ook dat hij de opdracht van Godard Adriaan precies opvolgt. En die ene brief die Willem III zegt nooit ontvangen te hebben? Die heeft hij nog nooit gezien. En hij heeft geen idee hoe het komt dat brieven zo lang onderweg zijn. Margaretha legt haar oor te luisteren bij de diplomaat van de Keurvorst in Den Haag: Matthias Romswinckel. Zijn oplossing is simpel: van elke brief een kopie maken en met twee verschillende posten versturen. De ene kopie gaat over Keulen, de andere over Bremen. Eén van de twee zal wel aankomen dan. Toch?

    bisdomer is so bij mij geweest, seijt uhEd order
    presijs te volgen en alde briefve recht op
    breeme te sende sonder aen strijcker, dien brief
    vaen sijn hoocheijt seijt hij niet in hande gehadt
    te hebbe ten waere die ondert koevert2couvert: briefomslag van van
    vliet waer geweest, so dat hij niet weet hoet
    daermeede is gegaen ock niet hoet komt dat de
    briefve so lan onderweege sijn, nu om hier Eens
    wt te koomen heb ick aenden heere romswincke3Matthias van Romswinckel
    gesonde om te weet hoe hij sijn briefve sent, die
    seijt alst briefve van inportansie sijn dat hijse
    twee der leij sou of dubbelt sent deen overkeule 
    dander over breeme, dat dan deen wel Eer als
    dander overkomt, ock dat de keurvorst nuposte
    heeft geleijt so haest hij tijdine heeft hoe die legge
    sal hijt mij laete segge, moet hoope het voer=
    taen daer door beeter sal gaen, [nu seijtme]

    Gezicht op Salee in Marokko, Reinier Nooms, 1662 – 1668. Collectie Rijksmuseum

    Veroverde berbarisvaerders

    Ook in een brief vrijwel helemaal gevuld met de huiselijke zorgen en rompslomp deelt Margaretha de laatste militaire nieuwtjes (of roddels) mee. Het schijnt dat de Staatse vloot een aantal Engelse “berbarisvaerders” veroverd heeft. Deze schepen, beladen met rijkdommen, kwamen waarschijnlijk van de Afrikaanse Noordkust af. Dat gebied stond in de Republiek bekend als Barbaria (Berbers). In het gebied waren veel kapers actief, niet alleen Afrikanen, maar ook Europeanen. In de haven van Salé hebben ook lang Nederlandse kapers gehuisd.

    Brieffragment over de berbarisvaerders

    [het voor ditmael so gaen moet,] so komt tijdine
    dat donse Eenige berbarisvaerders vande Engelse
    hebbe gekreege die seer rijcklijck gelade sijn en
    wel achtien hondert duijsent gul waerdich sijn

    Olfert Dapper (1639-1689). “Barbaria, Biledulgerid o: Libye et pars Nigritarum terra.” Kaart van circa 1670. Eigendom van Princeton Library.