Hoewel er niks noemenswaardigs is voorgevallen, gonst het weer van de geruchten in Amsterdam. En dan schrijft Margaretha “men seijt”. En wat men al niet zegt!
Men seijt…
Dat er een complete Engelse vloot klaar ligt om te landen. Michiel de Ruijter wordt er op af gestuurd om de boel te redden.
seedert is hier niet voorgevalle, als dat men seecker seijt datter weer Een groote quantiteijt Engelse scheepe in see soude sijn die deseijn1Dessein:doel hebbe om noch hier te lande waerom den Admirael de ruiter gelast is hem met al sijn volck opt spoedichste ou scheep te begeefve, [gistere is]
Men seijt…
Dat Zijne Hoogheid het gemeentebestuur van Amsterdam gewaarschuwd heeft voor een mogelijke aanslag. Het plan zou zijn om de schepen die aan de wal liggen in brand te steken. De wachten zijn daarom verdubbeld.
[spoedichste ou scheep te begeefve,] gistere is hier omet de klock afgeleese dat de burgers haer wachte moeten verdobbelen de rechte oorsae =cke weet men niet, dan wort geseijt dat sijn hoocheijt de heere Magistraeten alhier soude gewaerschout hebbe op haer hoede te sijn dat den vijant Een aenslach heeft om de scheepe die hier aende wal tegge aen brant te steecken de offisiers, of kapteijns vande burgerij sijn gelast snachts alle Eure selff de ronde te doen so datter wel Eits te doen
moet weesen, en wij hier in Een geduerigen alarm sitten niet weetende waermen best sal sijn t [gister]
Twee vrouwen in gesprek voor een huis, Herman Saftleven, 1619 – 1685. Collectie: Rijksmuseum
Men seijt…
dat er veertig schepen met nieuw volk uit Bremen gekomen zijn en dat dat betekent dat er 10.000 nieuwe soldaten voor het leger van de prins zijn. Ze heeft geen idee wat voor volk het is, maar er zijn zelfs nog drie compagnieën door het land van Münster gekomen. Hoe dat kan begrijpt Margaretha ook niet, maar als er zo veel gebeurt, moet Zijne Hoogheid wel een plan hebben. Nu maar hopen dat dat een groter succes wordt dan de mislukte aanslag op Naarden.
[sitten niet weetende waermen best sal sijn t] gister is hier veertich scheepe met volck die so geseijt wort van breeme koome, aengekoome men seijt datse tienduijsent man in hebbe die so geseijt wort naert leeger van sijn hoocheijt sijn, wat volckeren het is kan ick niet weeten, hier is ock aengekoome den graef van witgesteijn2Ernst Philip Graf zu Sayn Wittgenstein Homburg met drij kompangie paerde die men seijt doort sticht van munster gekoomen te sijn het welcke ick niet kan begrijpen, men wil ick noch segge dat sijn hooch Eenich deseijn3Dessein: doel op hande heeft ick wil hoope het Een beeter suckses alst voorgaende sal hebbe,
Men seijt…
bovendien allemaal onaangename dingen over de jonge Rijngraaf, Carel Florentijn van Salm. Hij zou volgens Margaretha in “vuile huizen” hebben zitten wachten tot de wind ging liggen, zodat hij niet meer op tijd ter plekke kon zijn.
Brieffragment met roddels over de jonge Rijngraaf
ick kan niet segge hoe men hier spreeckt en van den jonge rhijngraef die se segge doen den aenslach op naerden was sijn volck hier op naerder ordere liet scheep legge, ondertusche sat hij hier bij de juff en andere segge in ande =re vuijle huijse tot dat de wint ginck legge en den tijt verloopen was om op sijn post te koome
Men seijt…
Voor ze eindigt met een paar onnavolgbare roddels roept Margaretha nog dat haar man niet kan bedenken hoe men in de Republiek spreekt. Ze wenst Zijne Hoogheid wijsheid en voorzichtigheid toe, want als hij nog wat wil, dan moet het snel gebeuren. Door het natte weer hebben de milities in Weesp en Muiden het zwaar. Men seijt dat Zijne Hoogheid net naar Muiden vertrokken is, dus daar zal wel wat ophanden zijn… Zegt men.
Stadhouder Willem III gereed om op veldtocht te gaan. Standbeeld bij Kasteel Amerongen. Foto: Annemiek Barnouw
Margaretha is prikkelbaar. Ze maakt niet eens haar aanhef af en valt gelijk met de deur in huis. “Mijn heer en” en daar houdt de aanhef op. Ze stuurt een brief mee die ze aan haar zoon gestuurd heeft en het gaat erover om iemand die ergens schuld aan heeft. Omdat we de brief aan haar zoon niet hebben, weten we niet wat er precies gebeurd is. Vrij snel wordt er een neef bij gehaald, die ook vrij weinig goed gedaan heeft en kan doen.
De tirade over deze neef neemt een hele pagina in beslag. Wat interessant hieraan is, is dat ze de naam van de neef niet noemt. Kennelijk gaat ze ervan uit dat er meegelezen wordt en dat Godard Adriaan door de beschrijving wel weet over wie het gaat. Voor ons is het daardoor vrij lastig te volgen waar het over gaat. Meer over deze tirade in de laatste alinea.
Margaretha Turnor door onbekende schilder (1680-1699), collectie Kasteel Heeze. Dit is hoe ik me een prikkelbare Margaretha voorstel.
Amsterdam of Den Haag?
Margaretha zit zelf met een dilemma. Ze heeft een schip gehuurd om spullen van Amsterdam naar Den Haag te sturen. De vraag blijft waar het veilig is. Het duurt lang voor de Brandenburgse troepen er zijn en het veldtochtseizoen loopt op zijn einde. De Engelsen beginnen weer te dreigen. En wat als de Fransen in de winter nog in Utrecht zitten? Stel dat het gaat vriezen en ze dan met al het goed moet vluchten! Ze kijkt het nog 14 dagen aan, maar hoopt voor die tijd wel het goedvinden haar man te krijgen.
[staen, en ons alle bewaeren,] ick weet niet wat ick doen sal heb al geen schip gehuert om mijn goet naer den haech te brenge, dan hebt selfve noch 14 opgehoude en wtgestelt, dewijlle het afkoome vande auxijlaere troepees so lange tardeert en ondertuschen het heelle saeijsoen verloopt , sijn hier groote en kleijne seer bekomert de Engelse dreijge ock noch met haer vloot te landen, so dat men aen alle kante seer benout is, en voorseecker hout so de franse voorde winter niet wt de provinsi
van wttrech raecken wij inde haech niet verseeckert sulle sijn en int hartge van de winter te moete vluchte weet ick niet hoe men met alt goet wech sou raecken daerom ick in duijsent bekom merine ben niet seetende wat ick doen sal, ben half gereesolveert het noch Een maent in te sien en so lan hier te blijfve ondertuschen uhEd goetvinde hier op verwachte, [ick kan niet]
De Hertog van Luxemburg
Pas na drie pagina’s gaat het weer over de Hertog van Luxemburg. Er is op last van de koning een nieuw plakkaat uitgegaan. Alle bewoners en ingezetenen van de bezette gebieden moeten binnen een maand terug keren naar hun huis. Margaretha blijft er nuchter onder, maar ze vermoedt dat haar schoondochter een nieuw alarm zal zijn. Waar in de vorige brief de straf voor het niet betalen van de brandschatting in beslag name en platbranden was, is dat nu al de straf voor niet terug komen.
[sien worde souden sij haer beraeden,] daer op is gistere weer Een plakaet vande hartooch van lutsenburch wt last vande koninck wt gekoomen waer bij alle ingeseetene en in woonders *die haer huisine en woonplaetse inde gekonkesteerde plaetse* hebbe wort gelast voort wtgaen van deese maent aldaer weederom te koome haer woonplaets neeme op peene dat van die tijt af haer goederen voor gekonfisqueert sulle af naer
Het deel tussen * * staat links overdwars
gehoude werde, haere huijse geraeseert en afgebrant en alle plantaesie af gehouwe en geruwineert worde, dit sal weer Een nieu =we alarm voorde vrou van ginckel sijn, hoet nu onse wtterse vriende sulle maecken sal mijn benieuwen de mense worde onder de franse met haer in quartierine so seer beswaert dat sijt niet langer harde konen[, men seijt]
Nog steeds prikkelbaar
Ook al schrijft Margaretha nog over allerlei saaie onderwerpen als de lokale politiek, ordinanties en belastingen, ze raakt de prikkelbaarheid niet kwijt. Ook haar ondertekening en de PS zijn wat dat betreft luid en duidelijk. Niks geen liefste hartje, en na “UhEd getrouwe” een pinnig Et(cetera). Ze stuurt Godard Adriaan een pamflet mee. Mogelijk heeft hij haar laten weten dat ze haar toon een beetje moet matigen, maar in dit boekje kan hij zelf zien hoe vilein het er tegenwoordig aan toe gaat.
[verwachte,] hier meede blijfve
Mijn heer uhEd getrouwe Et
ick sende dit boeckge op dat uhEd sout sien wat vieleijnije hier in swan gaet1In zwang gaan: beoefend/bedreven worden (op grote schaal, populair) hoop het wel sal overkoome
De tirade: puzzelen en zoeken
Terug naar de tirade uit het begin de brief. Het volgende fragment is behoorlijk onbegrijpelijk en geeft daardoor een mooi beeld van wat voor puzzels je als lezer van dit soort oude brieven moet oplossen.
Om te beginnen is er het taalgebruik. Er zijn veel woorden die je met kennis van Engels, Duits en/of Frans wel kunt invullen, maar die je voor de zekerheid toch beter even kunt opzoeken. Gelukkig staat het Woordenboek Nederlandse Taal gewoon online. Als het echt lastig wordt, zijn de medewerkers daar ook nooit te beroerd om je te helpen. Een groot deel van de puzzel is dat er nog geen standaard spelling bestaat en veel woorden fonetisch opgeschreven zijn.
Lastiger zijn de uitdrukkingen. Daarvoor biedt het Spreekwoordenboek van Stoett vaak uitkomst, bijvoorbeeld bij “reizen en rotsen”. “Het oor heel en dal hebben” is lastig terug te vinden, maar daar biedt Twitter soelaas. “Heel en dal” is bijvoorbeeld een door oma’s nog gebruikt synoniem voor “helemaal”. De combinatie met het oor blijft vooralsnog onduidelijk.
maer onse Neef die sich inmasgeneert2Imagineren:zich voorstellen het oor heel en dal te hebbe3Onbekende uitdrukking , en die uhEd de voorleedene winter en ick in ick uhEd apsensie, op sijn begeere heb gereijst en gerotst4Reizen en rotsen is een gebruikelijke samentrekking. Rotsen is vooral het (hard of wild) rijden met een paard of rijtuig en op sijn versoecke verscheijde briefve aende kleijne steede geschreefve met alleen voor Eij in sijn faveur maer ick voor sijn neef van vos , so veel gunst hebbe beweesen, de wijlle hem voort vergeefve hier van w is gesproocken, had het wel moogen teegen spreecke en Erhinderen5verhinderen het geene op uhEd vertreck pas afgesproocken, dan dien man heeft so veel te doen met Een komijs6Commies: een persoon aan wie een ambtenaar een deel van zijn taak overdraagt vander dussen die genoechsaem bij alle Eerlijcke liede voor infaem gehoude wert Eens sauve guarde7Sauvegarde: bescherming van goederen of personen van sijn te prockwreere8Procureren: verschaffen, bewerkstelligen , en Ene sautijn hier inde reegeerine te brenge, het welcke, soot te weete het leste so het Eerste is geschiet
aengaet ick vreese mender van sal hoore, want die man en ons voorseijde neef sijn vader hier so int ooch sijn dat publijck op de straet daer van gesproocke wort en ick vreese sijt haer be= klaechge sulle, ick derfse niet waerschouwe, hij maeckt hem daermeede so veel te doen dat hij die voornoemde weldade vergeet en in uhEd apsensie aen sijn vriende niet meer en denckt, in somma Elck siet maer op sijn Eij gen intreste en daer hij sijn voordeel van treckt, het gaet hier teegenwoordich so dat uhEd hier waert sou hem verwonderen en verset staen, voor mijn weet niet langer wat ick segge of dencken sal de heere wil ons bij staen, en ons alle bewaeren, [ick weet niet wat]
En dan is er nog die geheimzinnige neef. Een eerste probleem is dat het begrip neef bij Margaretha erg rekbaar is. Het gaat verder dan wat we technisch gezien een neef zouden noemen. Het is bijna de “clan” waar het over gaat. We krijgen in het stuk verschillende hints over de neef. Hij is weer een neef van ene Vos, die kennelijk geen neef van Godard Adriaan en Margaretha is. Kennelijk heeft hij nogal wat gunsten aan Godard Adriaan gevraagd, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor de leden uit zijn “clan”.
Kennelijk heeft hij te doen gehad met een ambtenaar Van der Dussen, die niemand vertrouwt en is verantwoordelijk voor de aanstelling van ene Sautijn. Dat laatste is in ieder geval echt gebeurd volgens Margaretha. En daarin zit ook de eerste hint naar wie de neef zou kunnen zijn. Gillis Sautijn zijn is op 10 september door Stadhouder Willem III in de Amsterdamse vroedschap benoemd op voorspraak van Johan van Reede van Renswoude (Elias 1903, CXXII, onderaan de pagina). Als dit waar zou zijn, dan is het logisch dat Margaretha hem niet direct noemt: Johan van Reede van Renswoude was een belangrijke steunpilaar voor Godard Adriaan in de Utrechtse politiek en Stadhouder Willem III vertrouwde op hem. Het is alleen maar één bron en alle andere hints zijn nog niet uitgezocht.
Zo puzzelen de lezers van de brieven op verschillende details om erachter te komen wat Margaretha echt bedoelt. Daar zullen we alleen lang niet altijd (nu) achter komen.
Margaretha valt deze brief gelijk met de deur in huis: er is in Holland een machtsverschuiving gaande. Ze is net terug uit Den Haag en daar is het nog onstuimig. Nu de gebroeders De Witt er niet meer zijn, ligt de bal bij de Prins van Oranje die sinds 4 juli ook stadhouder is. Hij moet in veel plaatsen orde op zaken stellen en de Staatse bestuurders vervangen door Oranjegezinde bestuurders. De belangrijkste bestuurders in Den Haag zijn afgezet en nu willen ze dat “sijn hoocheijt” een keuze maakt uit het lijstje genomineerden dat de bestuurders zelf gemaakt hebben.
Gecommitteerden
Niet in alleen in Den Haag is er een machtswisseling. In Dordrecht is er helemaal geen bestuur meer, dus daar heeft Willem III twee “gecommitteerden” heen gestuurd. Gecommitteerden zijn bestuurders uit bijvoorbeeld de Staten van Holland die een speciale taak hebben (committeren is “Met eene opdracht of volmacht voorzien, afvaardigen of zenden”). Zo bestaat de gecommitteerde raden uit de gecommitteerden die het dagelijks bestuur van Holland voor hun rekening nemen.
wt Amsterdam den 6 septem 1672
Mijn heer en lieste hartge
uhEd laeste is vande 25 Auguste geweest en de mijne met de laeste post vande 2 deeser, seedert ben ick weer hier gekoome, hebende het gepuepelt in den haech noch Even onstuijmich gelaeten die al de magestraet balijou, en sekreetaris1Magistraat, baljuw en secretaris hebbe afgeset wille dat sijn hoocheijt weer andere salle aenstelle hebbe selver Een nominasi gemaeckt daer gemelte hoocheijt de Elexsie wt sou doen, te dorderecht ist ock so en heel sonder reegeerine, derwaert sijn hoocheij twee gekomiteerdens vant hof heeft gesonde om de magistraet wt sijne naem te versette hier en meest in alle de steede van hollant salt ock so gaen men heere de state van hollant konne niet reesolveere sijn hoocheijt die apse= luijte macht te geefve maer hebbe int selfe gereesosveert volgent dit bij gaende, in soma wij beleefven hier swaere dansgereuse en seer bekomerlijcke tijde die gerust te bedde gaen sijn niet verseeckert so weer op te staen, [den heere nellesteijn is met]
Toen Willem III op 4 juli stadhouder werd, gingen de bestuurders ervan uit dat zij hun macht zouden houden en dat de prins een rol zou spelen naast de bestaande politiek. Ook nu zijn de heren van de Staten van Holland nog aan het twijfelen of ze de prins absolute macht zullen geven.
Ze vat het nog even samen: “Het zijn zware, gevaarlijke en zeer bekommerlijke tijden. Zij die gerust naar bed gaan, zijn er niet van verzekerd zo weer op te staan.”
De burgemeesters van Utrecht
Burgemeesters Nellesteyn2Johan van Nellesteyn en Martens3Jacob Martens van Utrecht4Er waren toentertijd meer burgemeesters van een stad, Nellesteyn, Martens en Hamel zijn de Utrechtse burgemeesters hebben een heel ander probleem. Praktisch wonen ze tegenwoordig in het buitenland. Dankzij Prins Maurits5Johan Maurits van Nassau-Siegen hebben ze een pas gekregen waarmee ze van Utrecht naar Amsterdam en vice versa zouden moeten kunnen reizen. De werkelijkheid is helaas weerbarstiger.
De Amsterdammers denken dat Nellesteyn burgemeester Hamel6Nicolaas Hamel is, die (mede) de sleutels van Utrecht heeft overgedragen. Nellesteyn wordt door Amsterdamse burgers opgepakt als “verrader van Utrecht” en naar het stadhuis op de Dam gebracht. Er wordt een borg geëist van wel 40.000 gulden. Bovendien is Willem III gevraagd om de pas van Prins Maurits te bevestigen, maar het lijkt erop dat hij dat (voorlopig) niet wil doen. Margaretha leeft mee met Nellesteyn. De arme man zit vast en kan geen kant op.
Dam, noordzijde. Gezien naar Nieuwe Stadhuis, Nieuwe Kerk, Waag en Oudekerkstoren. Abraham Rademaker ca. 1700. Bron: Gemeentearchief Amsterdam
De neven van Renswoude
Margaretha maakt zich erg druk om Johan van Reede van Renswouden en zijn zoon Frederik van Reede van Renswoude. Ze heeft inmiddels grote bedenkingen op beide heren. Ze schrijft heel mooi:
[sij sijnder nu na toe,] en hebbe groote bedenck kine op de voorseijde heere, ick weet ock niet wat segge sal, sien wel dat sij beijde niet stil staen maer geduerich woelle, had den outste al te hoorn gebleefve waer weijnich aangeleegen, [somige sijn van opijnie dat hij]
In een verbinding naar haar algehele visie op de staat van de oorlog, meldt Margaretha nog even dat de komst van de Brandenburgse wel erg fijn zou zijn. Gelukkig is er goede tijding: de Fransen hebben Maastricht verlaten, de troepen van de bisschop hebben Groningen verlaten, Blokzijl is weer in handen van de onze (‘donse’) en ze zeggen ook dat Crèvecoeur (bij Den Bosch) weer in onze handen is, maar dat is niet zeker.
Vervolgens drukt de Franse bezetting financieel nog op Utrecht en heeft Margaretha financiële zorgen door de bureaucratie en de inflatie.
Een grote zorg is dat met de post uit Hamburg geen brief van haar man gekomen is: dit is al de derde keer op rij dat de post geen brief van hem bij zich heeft. Er blijven ook nog zorgen om wat Luxemburg nu wil met Amerongen. Maar daar wijdt ze niet over uit.
Na een lange brief eindigt ze met:
Mijn heer en lieste hartge UhEd getrouwe wijf M Turnor al onse kindere kusse groote papa ootmoedelijck7Met ootmoed, ootmoed is nederigheid/onderdanigheid de hande, de vrou van ginckel is noch int leeger
Het gevreesde moment is aangebroken: de Franse troepen zijn de Republiek binnengevallen! Er zit voor Margaretha niets anders op dan te vluchten.
Margaretha is nog op Amerongen wanneer ze om twee uur ‘s nachts gewekt wordt door pleegzoon Godert Willem van Tuyll van Serooskerken, heer van Welland. De Franse legers zijn de Rijn overgestoken bij Tolhuis, vlakbij de Staatse verdedigingspositie aan de Schenkenschans. Haar zoon leeft gelukkig nog, weet Welland te melden, maar verder lijkt de situatie op een ramp van epische proporties uit te draaien voor de Republiek. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Mijn heer en lieste hartge gistere heb ick uhEd wt Ameronge geschreefve den droefvigen staet daer ons liefve vaderlant in is en wij alte saeme, ick meende noch Eenige dage aldaer gebleefve te hebbe, maer te nacht ontrent twee Eure quam de heer van wellant1pleegzoon Goderd Willen van Tuyll van Serooskerken wt ons leeger die alsdoen den heer van ginckel de heere sij gedanckt noch wel heeft gelaeten, maer de franse voor schenckeschans2de Schenkenschans was één van de voornaamste Staatse verdedigingsschansen en lag aan de splitsing van de Rijn in de Waal en de Nederrijn die door den rhijn met meenichte sijn geswome geschampt3schampen: de vlucht nemen, het veld ruimendiet selfve hebbe beleegert, ons volck hebbe teegens haer dapper gevochten daer veel van gebleefve is
Lodewijk XIV steekt bij Lobith de Rijn over. Adam Frans van der Meulen, Collectie Rijksmuseum
De schande van Montbas
Een Staats leger heeft bij de Schenkenschans dapper gevochten tegen de Franse troepen voordat ze moesten vluchten. Dit was echter een ander leger dan wat gestationeerd was bij de Schenkenschans. Commissaris-generaal Montbas, bevelhebber van de troepen bij de Schenkenschans, was al lang en breed weggevlucht! Een andere groep soldaten is in allerijl naar de Schenkenschans gestuurd maar kwam te laat om de Franse vloed te stelpen.
Al maanden roept Margaretha dat Montbas een onbetrouwbare lapzwans is en nu blijkt dat ze pijnlijk gelijk had. Montbas is gevangen genomen en men zegt dat hij claimt dat hij zijn post moest verlaten op orders van een zeker persoon. Wie deze persoon is, zegt Margaretha niet maar het bevel lijkt van hogerhand te komen. Als het waar is, zegt Margaretha, waarom geven we ons dan niet meteen over? Dat zou onschuldig bloed besparen.
momba diet komande overt volck inde beetuwe had heeft sijn post schandelijck verlaeten willende dat den mancke gent4Otto van Gent, broer van Admiraal van Gent die gisteren omkwam bij de Slag van Kijkduin die daer bij hem was van gelijcke soude doen, die hem het selfve weijgerde seggende dat hij wel onder sijn komande stont maer dat sij dat noijt noch in haer ge moet5Gemoed: Het binnenste van den mensch in onstoffelijken zin, beschouwd als de zetel van zijn geestelijk gevoel noch voor godt noch de werlt soude konne ver – antwoorde, het most Evenwel so sijn, men seijt momba in gehechtenis is en dat hij Een seecker persoon noemt wt wiens last hijt sou gedaen hebbe, daer hEd noch ick het noijt van soude vermoet hebbe, het soude die sijn die plach te segge en secht het mijn oom niet, ick kant van hem niet geloofve, als dat soude sijn wort al ons volck wel op den vleijsbanck gebrocht, waer om geefven se ons dan niet heel over, moetense so veel onoosel6onnozel: onschuldig bloet vergieten, mijn lieste hartge ick niet segge hoe bekomert ick met onse goeije en oprechte soon
Hoe gaat het met de familie?
Margaretha is hals over kop weggevlucht naar Amsterdam, maar hoe zit het met haar lieve kleinkindjes en haar schoondochter? Philippota en haar kinderen zijn nog in Utrecht. Nogal een gevaarlijke plek om te zijn als edelvrouwe gezien de relletjes en volksopstanden die er gaande zijn. Margaretha gaat daarom morgen met haar koets haar familie ophalen.
Ze heeft Godard Adriaan ook goed nieuws te melden: bijna al hun goed is overgekomen naar Amsterdam. Enkel wat wijn en bier blijft achter in het kasteel. Het water in de Rijn stond te laag om dit te kunnen vervoeren. De rest van de goederen zijn al aangekomen in Amsterdam of worden per aak naar de stad vervoerd.
[ben,] dewijlle den vijant inde beetuwe is derfde ick niet langer op Ameronge blijfve, ben so aenstonts hier gekoome hebbende de koppe7Op 30 mei heeft Margaretha het over het zoeken van een verstopplek voor gouden koppen. Die heeft ze niet kunnen vinden en het lijkt dat ze er voor kiest om ze dan maar mee te nemen ent dander bij mij
hier gebrocht, de vrou van ginckel is met haer kindere noch te wttrecht hoope se merge te gaen haelle en hier me neer te sette, ick heb meest al ons goet hier behalfve noch twee oxshoofde8okshoofd: een inhoudsmaat ter grote van een groot vat, ongeveer 231 liter franse en Een stuck9stuk: een inhoudsmaat ter grote van 96 stoop. Een stoop is ongeveer 2,5 liter dus een stuk zou ongeveer 240 liter zijn rinse10Rijnse of Rijnlandse wijn en so Een schoone kelder met bier dat ick omt laechge water op den rhijn niet hier heb konne krijge, ick en noch Eenige kleijnicheede, heb noch drie a vier wagens met goet overlant moete hier brenge sout gistere aen wijburch11Wijburch is een persoonsnaam maar wie het precies is, is een mysterie tot wijck12Wijk bij Duurstede om Een Aeck13Aak: een plat schip wat gebruikt wordt om goederen over de rivier te vervoeren diedaer noch wel 6 a 7 lagen maer hij liet mij segge omt gepeupelt het om geen goet te derfe [doen]
Algehele verslagenheid
Het lijkt alsof Margaretha alles vrij goed voor elkaar heeft: bijna al haar spullen zijn veilig, zij is veilig aangekomen in Amsterdam na een rit met haar nieuwe koets en spoedig geldt dat voor haar kinderen ook. Hetzelfde kan helaas niet gezegd worden over de Republiek. Mensen slaan overal op de vlucht en mannen en vrouwen staan langs de weg te krijsen als kinderen. Ellende heerst.
Margaretha doet iets om te helpen en laat een Amerongse dorpsgenoot met zijn kinderen het huis in Den Haag gebruiken maar zelfs deze kleine gebaartjes maken weinig verschil. Ze weet geen uitkomst meer. Alles is in de handen Gods.
[doen,] daer is sulcken verslagent heijt over al dat met geen monde wtte spreecken is de mense vluchte met sulcken gewelt van alle kante dat niet te sien is de mans en vrouwe gaen bij de wech en krijten14krijten: krijsen als kindere ick kan de Elende met geen mont wt spreecken diemen siet ent roept al overt lan tardeere vande brandenburchse volckeren och ick vrees die te laet sulle koome, te Ameronge en daer ontrent was geen wage om gelt te krijge, t was geluck dat ick te winter Een nieuwe wage heb laeten macken die mij nu heel wel te pas komt, ick gin te nacht te twee Eeure op mijn koets sitte, de heer almachtich weet hoet noch met ons sal vergaen ick sien nu geen wtkomst meer beveelle mij en alt mijn in sijne hande hij doet met ons naer sijn welbehaechge, nicht van rhiene15Nicht van Rhenen is waarschijnlijk een kind uit een bastaardtak van Frederik van Reede, de grootvader van Godard Adriaan wist
ock niet waer te blijfve hebse bij mijn en denijs geritse16Denijs Geritse is een dorpsbewoner van Amerongen die quam klage en krijten als Een kint had geen gelt en wist niet waer met sijn dochters te blijfve hebse alle drij in den haech in ons huijs laete gaen nu kan ick niet meer blijf
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Wel opvallend is de afsluitende groet van Margaretha: “nu kan ick niet meer blijf”. In alle eerdere brieven vinden we een versie van “hier meede blijfve”, een typische zeventiende-eeuwse groet. Met het verbasteren van die zinsnede maakt Margaretha een punt heel duidelijk: stabiliteit en veiligheid is niet meer te garanderen, ze is op de vlucht gegaan.
Amstel gezien in noordelijke richting naar de Blauwbrug. Op de voorgrond rechts de Nieuwe Herengracht. Tekening door Jan Spaan (ca 1742-1828). Collectie Stadsarchief Amsterdam
Er volgen nog twee postscripta: Margaretha benadrukt nogmaals dat ze hoopt dat Godard Adriaan snel schrijft over wanneer de Brandenburgse troepen komen én schrijft hem dat de Spaanse troepen (die al wél aanwezig zijn) goed volk zijn. De tweede p.s. is het adres van Margaretha in Amsterdam:
ick ben hier aende oostsijde van de blaeuwe bruch op de nieuwe heere graft inde trufel
Het is drie dagen sinds de laatste brief naar Godard Adriaan wanneer Margaretha hem weer schrijft. De gebeurtenissen in de Republiek zijn in een stroomversnelling beland en het tempo van Margaretha’s brieven laat dat goed merken. Zoals wel vaker begint Margaretha met familienieuws: ze is namelijk bij haar zoon in Arnhem op bezoek geweest. Met Godard Junior gaat het absoluut niet goed. Eeuwig plichtsgetrouw vraagt hij of Margaretha zijn excuses aan zijn vader kan aanbieden, hij heeft namelijk in geen 2 of 3 postrondes geschreven. Godard van Ginkel slaapt door alle drukte nog maar 3 uur per nacht en zit vrijwel constant in het zadel. Margaretha is bezorgd: als haar zoon nu maar gezond blijft.
Mijn heer en lieste hartge tis mij lief wt uhEd mesiefve1missive: brief vande Eerste deeser21 juni te sien deselfve weer tot berlijn wel is gearijveert, ick ben gisteren op dien dach wecl en weer tot Aernhem3Arnhem ge- weest om den heer van ginckel noch Eens te sien die daer bij ons quam, hij bidt uhEd hem belieft te Excku seere4excuseren: vergeven dat hij in 2 a 3 poste niet heeft geschreefven heeft het omoogelijcke niet konnerbij brenge door sijn meenichvuldage affaerees5affaires: zaken, hij slaept geen drije Euren op Een nacht en is meest gedurich te paert als hij maer gesont blijft, [ist noch goet maer mijn]
De Frans opmars
Ondertussen verloopt de Franse opmars gestaag. In drie dagen tijd hebben Lodewijks troepen evenveel dorpen veroverd: het Rijnfort Wesel, een kernpunt van de verdediging van de Republiek is gevallen, net als Orsoy en Büderick. De Fransen trekken op langs de Rijn richting de stad Kleef en daarna Nijmegen. Margaretha vreest dat het op de IJssellinie aan gaat komen. Erg veel vertrouwen heeft ze niet daarin: haar zoons verwachte dood ziet ze als een nutteloos offer.
[maer] men gelooft, het almeede over is, en dat de koninck6koning Lodewijk XIV daer7Reijnberck inpersoon voor is geweest, die men seijt deese Middach van meeninge was binne kleefe8de stad Kleef ligt in het gelijknamige hertogdom. Hoewel de stad in modern Duitsland ligt was Kleef in 1672 de facto deels onder controle van de Republiek te Eeten, en so voort recht op Nimweechge9Nijmegen aen te Marscheere welcke stat so geseijt wort van alles wel versien is, en hoopt men die haer sal konne def – fendeere10defenderen: verdedigen, dan vreest ick het op den ijsel11rivier de IJssel en de IJssellinie aldaar aensal koomen mijn hart int lijf bloeijt als ick der aen denck och wat droefheijt is mij aenstaende ick derf niet al schrijfve
Soldaten en generaals naar het front
Ook over het Staatse leger heeft Margaretha nog iets te melden. Eindelijk, na lang dralen, is commissaris-generaal Montbas aangekomen bij zijn positie in het leger! Hij heeft het commando gekregen over de troepen in de Betuwe en heeft als hoofdkwartier de Schenkenschans. Volgens de geruchten wordt Montbas te veel verantwoordelijkheid toevertrouwt. De toekomst zal het leren. Ook is luitenant-generaal Van Steenhuizen aangekomen bij zijn troepen alsof hij alle tijd van de wereld heeft. Duidelijk neemt Margaretha de beide generaals nog niet serieus, haar zoon moest immers steeds hun werk doen.
Kaart van Gelderland, omgeving van Nijmegen. 1664, Atlas van Loon. De Schenkenschans waar Montbas gestationeerd is ligt helemaal rechts op de kaart waar de Rijn splits in de Waal en de Nederrijn.
Er gaan dagelijks nog steeds nieuwe troepen naar het (verwachte) front. Zo kwam er afgelopen nacht een troep Spaanse soldaten langs Amerongen. Deze soldaten dwongen de boeren om hun eten en drinken te geven, nog een teken dat het leger slecht georganiseerd is. Margaretha heeft de brug van het kasteel maar omhoog laten halen om moeilijkheid te voorkomen. Een stuk minder onbehouwen was een Zeeuws regiment dat eerder langs kwam. Het is wel duidelijk welk land de beste soldaten levert. Over de voortgang van de oorlog op zee is Margaretha kort: het schijnt dat de Staatse vloot verwikkeld is geweest in een zeeslag maar meer weet ze zelf ook nog niet. Hopelijk is het een overwinning.
vreesende de poste aengehoude mochte worde, uhEd heeft sijn soon tot dienst vant lant op geoffert maer ick vreese hij wel Een rechte offerhande12offrande: offer sal sijn en vrees hem niet weer te sulle sien, momba13Commissaris-generaal Jean Barton de Montbas is Entelijck int leeger ge koome, die men het komanda overt alt volck dat inde beetuwe14Betuwe leijt15leijen: liggen heeft gegeegve daer niet weijnich op gesproocke wort dat men hem so veel tte vertrout steenhuijse16Luitenant-generaal Ludolf van Steenhuizen is op sijn muijltges int leeger gekoome17op zijn muiltjes komen: op zijn gemak, erg kalm ondertusche moet de heere van ginckel het werck doen en wat noot waert dat het daer noch gin soot hoorde maer de disordrees18disordre: wanorde sulle ons ruwineere19ruïneren: ten gronde richten hoe roept men nu om de troepees vande keurvorst en verlanck men daer naer die hier indeesen hoochgen noot wel van doen sijn, deese nacht is hier int dorp ontrent de 800 spaense voet knechte20De Republiek heeft in 1672 een bondgenootschap gesloten met Spanje. Er is afgesproken dat Spanje troepen levert tegen de Franse invasie. die naert leeger gaen en Een reesgement21regiment wt seelant geweest dewel – cke saeme over de 1600 man maeckte de seuwe ginge naer nimweege, die hebbe deminste insolensie22insolentie: onbeschaamdheid, onbetamelijkheid, lompheid niet gedaen maer deerste hebbe vrij wat deesordere23disordre: wanorde ge maeckt de boere mostense Eeten en drincke geefve of so dwongense, ick liet de bruchge vant huijs op treck vreesde voor swaericheijt24zwarigheid: moeilijkheden, problemen, vandaech krijch ick ock tijdine25tijdingen: nieuws dat onse scheeps vloote van Eengistere merge aen Een sijn geweest sonde dat men weet hoet daermee staet, als dat men seer fuijrijEus26furieus: op zeer krachtige, heftige wijze heeft hooren schiete ontrent doeversans27Doeverenschans, nabij Heusden de heer almachtich wilse bij staen ende vicktoorije28victorie: overwinning geefve, [gisteren isser te wttrecht]
Onrust in Utrecht
Ook binnen landsgrenzen begint het te rommelen. Waar Margaretha eerder nog in één enkel zinnetje schrijft over onrust in Utrecht wijdt ze nu flink uit. Daar ontstond een volksoproer toen een aantal regenten erop betrapt werden samen met hun bezittingen de stad te willen ontvluchten. De vrouwen van het houtsgilde, een onderdeel van het Utrechtse Zakkendragersgilde, vonden dat dit absoluut niet kon. “Zullen de heren die onze mannen hebben doen uitgaan om te vechten, vluchten en ons hier ten prooi achterlaten?” Zo luidde hun aanklacht. De vrouwen rukten koffers open en strooiden de bezittingen van de regenten uit op straat. Enkel met geweld werd de rust enigszins hersteld. Volgens Margaretha lijkt het er op dat nu iedereen die de stad Utrecht uit wil onderhevig is aan controle door de burgers.
[ende vicktoorije29victorie: overwinning geefve], gisteren isser te wttrecht inde stat ock geen kleijne ontsteltenisse30ontsteltenis: oproer, opschudding geweest door Eenich goet dat de luijtenant kolonel wel en andere wt de stat meende te vluchte, het welcke de vrouwe vande hout schilde31de houtsgilde is onderdeel van het Utrechtse zakkendragersgilde. Leden van het houtsgilde mogen zakken dragen tot 3 el. niet wildea lijde roepen sullende heere vluchte die onse mans hebbe doen wtgaen om te vechte en ons hier ten proij32prooi geefve dat wille
wij niet lijden, een rockte de koffers open dat het silver ent gout dat daer in was door de weech verstroijde, de burgers moste inwa – pene om de vrouwe te stille, nu maegcher33mag er so geseijt wort niet wt of inde stat oft moet besichticht worde, [uhEd denckt Eens hoe men]
Een tijt van elende
Overal om heer heen ziet Margaretha de klauwen van de angst om zich heen grijpen. Zelf begint ze nu opniew te twijfelen of Amsterdam wel veilig is. Koning Lodewijk XIV heeft immers beloofd deze stad te zullen belegeren en plunderen. In de steden en op het platteland heerst een verslagen gevoel. Mensen pakken hun spullen en vluchten weg. Margaretha wil dat ook doen maar ze weet niet waarheen. Ze is ten einde raad.
[of inde stat oft moet besichticht worde,] uhEd denckt Eens hoe men hier sit ock nu ist wel Een tijt van Elende , en derf ick met de kindere en vrou van Ginckel niet langer hier te blijfve en weet noch niet waer ons derf vertrouwe tot Amsterdam is meest al ons goet, en seijt men nu dat de konin34Koning Lodewijk XIV het daer teenemael op heeft aengesien, en dat hij die stat sal wille beleegeren, dat mij seer bekomert35bekommeren: zorgen maken want met vier sulcke kleijne kinderen in Een beleeger de stat te sijn sou wel benout36benauwd weesen, ock nu komt het de op aen en is den tijt van onse Elende voor hande hoe sit ick nu in Eensaemheijt en sonder raet en weet niet wat ick doen sal, heb sulcke koste met wech doen van mijn goet gehadt en weet nog niet oft verseeckert is, ick ben so bedroeft dat ick mij niet weet te laeten, hier te platte lande en inde steeden is sulcken verslagentheijt dats niet wt te spreecken alle mense packen hier en vluchten haer goet, och wat tijt beleefve wij de heer almachtich wil ons bijstaen en behoede dat wij in hande van die tierane37tirannen niet en valle want sij leefve groulijck38gruwelijk met de mense daer sij koome, hiermeede blijfve
Mijn heer en lieste hartge uhEd getrouwe wijff M Turnor
Margaretha klaagt wel steen en been over de trage en gebrekkige voorbereiding van de Republiek op de oorlog, maar zelf kan ze er ook wat van. In haar brief van 25 januari 1672 vraagt ze de secretaris al om een huis te zoeken in Amsterdam, en nu, het is nog net geen juni, is de kogel door de kerk. Margaretha huurt voor een half jaar een pand genaamd de Gulden Troffel aan de Nieuwe Herengracht in Amsterdam.
De Nieuwe Herengracht
De Nieuwe Herengracht is de allernieuwste uitbreiding van Amsterdam. De uitbreiding is zelfs zo nieuw, dat het gebied aan de overkant van de gracht nog “gewoon” weiland was. In dit weiland ligt nu de plantagebuurt met Artis en de Hermitage. Het bejaardentehuis waarin de Hermitage zit, werd in 1681 gebouwd.
De Nieuwe Herengracht, het huis met het puntdak is nummer 21, waar in het Rampjaar de Gulden Troffel stond. Links de Walter Süsskindbrug en de Amstel. Foto en copyright: Shinji Otani, bron: Stadsarchief Amsterdam
Het goed vervoeren
Wat Margaretha nu te doen staat is er nu voor zorgen dat al haar waardevolle goed in Amsterdam komt. En dat pakt ze voortvarend aan. Ze heeft een schip gehuurd dat inmiddels van Elst (een dorp naast Amerongen) naar Amsterdam vaart. Wat er in de eerste vracht zit, vertelt ze niet, maar waarschijnlijk moet ze nog een volgende vracht moet zenden. Er zou een tweede schip komen, maar dat is kennelijk niet gekomen, omdat het water zo laag staat.
[behandicht] het huijs te Amsterdam is gehuert voor Een half ijaer so ons het ongeluck dient dat ment langer sal sal moeten hebbe konne wijt langer in hueren, deesen dach vaert Een schip vol van ons en vande vrou van ginckels goet hier van Elst af naer Amsterdam wij sulle het selfeschip of Een ander noch wel eens vol hebbe het welcke almeede met den Eerste meen te sende vermidts het water op de reevier so seer valt en solaech wort vrees ick het in korte niet te sulle kome sende en over lant sou vrij wat kosten, ben nu meest bekomert met onse wijn weet niet hoe ick daer mee sal maecken, brenge ickse te Amsterdam salmen ter stont die swaere inposte1Imposten: accijnzen daer van moete betaelle en al die wijn drincke wij in geen ijaer, [ick]
Wijn en belasting
Interessant is haar zorg om de wijn. Elke stad rekende zelf de accijnzen voor wijn voor eigen consumptie. Aangezien de wijn al in de kelder ligt, heeft ze dergelijke accijnzen waarschijnlijk al eerder betaald. Als ze de wijn nu naar Amsterdam vervoert, zou ze dat weer moeten betalen, terwijl ze niet weet of ze het op gaat drinken. Stel dat het niet op gaat en ze wil de wijn daarna naar Den Haag vervoeren, dan zal ze daar dus ook weer accijnzen moeten betalen. Dat wordt dan wel een beetje prijzig. Wat is wijsheid? De wijn in Amerongen laten voor de Fransen of die accijnzen toch maar betalen?
Het Centrum van Amsterdam, na 1688 (de Amstelhof/Hermitage is gebouwd). Onder het woord Binnen Amstel de Nieuwe Herengracht. Fragment uit kaart van Frederik de Wit, Atlas van der Hagen. Collectie Koninklijke Bibliotheek
Reizen en vluchten
De familie moet in beweging komen: Philippota is nog steeds in Middachten en Margaretha zou haar toch wel erg graag in Amerongen hebben. Dat geeft haar de ruimte om eens zelf in Amsterdam te gaan kijken. Van een definitief vertrek naar Amsterdam is nog geen sprake: ze blijft zo lang mogelijk in Amerongen. Ze denkt Philippota en de kinderen die kant op te kunnen sturen als dat nodig is. Waar Margaretha zich het meest zorgen om maakt is hoe haar man thuis komt: alle doorgangen naar de Republiek zijn in handen van de Bisschop van Münster. Twee dagen na Margaretha’s brief zal hij de Republiek binnen vallen in het oosten.
Gouden koppen
De oprukkende Fransen krijgen in deze brief geen aandacht. Ze gaat nog wel in op de financiële situatie en de vraag wat ze met haar gouden koppen moet doen.
[veel meer, noch in kasse leijt,] ick heb mijn ge= dachte al laeten gaen of ick niet wel sou doen de goude koppe op deen plaets of dander te begraefve of Ergens in Een muer te laeten metselen, maer dewijlle ick dat bij mijn selfve niet kan doen derf ickt niet wagen salt met de rest so naeu2Nauw bewaren: met alle zorg bewaren bewaeren alst mogelij sal sijn [den redder van Meroode is alweer so]
Heel herkenbaar dat je met zo’n stressvolle verhuizing opeens allemaal rare details bedenkt. Gelukkig zal ze alles zo zorgvuldig mogelijk bewaren. Als Godard Adriaan er nu geen vertrouwen in heeft, weet ik het ook niet meer.
De brief die Margaretha stuurt aan Godard Adriaan op 8 februari 1672 begint met alledaagse zaken: ze beschrijft wie inmiddels hun schulden aan de familie heeft afgelost en van wie ze nog steeds geld tegoed hebben. De “bekende” 5000 gulden is nog steeds niet betaald. Bekend omdat dit bedrag al open staat sinds voor Godard Adriaan naar Berlijn vertrok en Margaretha het bijna iedere brief wel noemt.
Diplomatieke perikelen
Met de alledaagse zaken uit de weg gaat Margaretha over op, voor ons, interessantere zaken: Godard Adriaans voortgang als diplomaat aan het hof van de Keurvorst van Brandenburg.
tis mij seer lief te hoore dat den heere keur – vorst kontiniweert1continueren, voortduren in sijn geneegentheijt tot deesen staet het welcke wij wel van noode hebbe so ick hoore hanckt de gunst vande vorste van sel en luijnenburch2de Duitse Hertog van Celle en Lunenburg daer heel aen die haer naer den keurvort van brandenburch wille reeguleere, men seijt dat den Ambassadeur doenin naer geen presentaesie die hem vandeesen staet werde gedaen en wil luijsteren maer seijt hij weerom ontboode is en op sijn vertreck staet, dat ock den koninck van vranckrijck aen onsen Amba de groot3Staatse ambassadeur Pieter de Groot, gestationeerd in Parijs soude geseijt hebbe dat hij sijn meesters geen dienst daer meer koste doen oversulcks wel soude doen te ver trecke, so dat die twee rijcke als Enlant
en vranckrijck naer alle Aprehensi 4begrip, vrees het Eens sijn en ons beijde sulle atackeere 5aanvallen, daerom ick noch beducht6angstig, benauwd ben of wij in den haech al verseeckert7veilig sulle weesen, [de vrou van ginckel]
Op 25 januari schrijft Margaretha al dat ze overweegt om naar Amsterdam te gaan in plaats van Den Haag maar ze geeft geen specifieke reden hiervoor. Die krijgen we nu wel: dat Frankrijk en Engeland een verbond hebben gesloten in het Verdrag van Dover is bekend geworden. Een diplomatische oplossing met Frankrijk lijkt niet meer een realistische kans, zo zegt Lodewijk XIV aan de Staatse ambassadeur in Parijs. De Republiek heeft hard steun nodig.
Margaretha is dus ook blij om te vernemen dat de Keurvorst Godard Adriaan genegen is. De steun van de Keurvorst is van vitaal belang. Deels omdat de keurvorst een groot leger bijeen zou kunnen krijgen en deels omdat andere Duitse edelen, zoals de Hertog van Celle en Lunenburg, zijn voorbeeld zouden volgen. Hopelijk is God met hen, zo eindigt Margareta de brief.