Blog

  • Wanorde en Haagse roddels

    DatumPlaats
    Geschreven6 oktober 1672
    Ontvangen20 oktober 1672Frankfurt
    Lees hier de originele brief
    Let op: de scans zitten een beetje door elkaar. Logische leesvolgorde is: 169, 170 links, 172, 170 rechts, 171

    Margaretha heeft de brieven van Godard Adriaan van 23 en 24 september ontvangen. In Amsterdam was het 10 à 11 dagen droog geweest, maar de wegen waarop het leger van de keurvorst marcheerde moesten wel erg slecht zijn. Het heeft immers wekenlang geregend. Ze voelt mee met haar man en het hele leger. De zware mars zou Godard Adriaan wel eens op kunnen breken, vreest Margaretha. Toch verlangt ze ontzettend naar de komst van de bondgenoten. In de Republiek gaat het namelijk niet zo best…

    Waar blijft het leger van de keurvorst?

    Het leger van de keurvorst moet zich, volgens de berekeningen van Margaretha, nu niet ver meer van de stad Münster of de Rijnoever begeven. Met zo’n immense legermacht, op zulke slechte wegen… Dan is drie à vier mijl best veel. In de Republiek verlangt iedereen zeer naar de komst van de Brandenburgse troepen. Zonder hulptroepen geen verlossing, alleen het vooruitzicht van een ellendige en miserabele winter. Wat moet Margaretha doen als er niet snel verlossing van het Franse juk komt? Ze koestert weinig hoop dat de stad Utrecht en de gelijknamige provincie, zelfs de kleinste steden, vóór het invallen van de winter bevrijd zullen worden.

    Eerste brieffragment over het leger van de Keurvorst

    ick beklaech uhEd en het heelle leeger int 
    binenste van mijn hart vreese het uhEd ock 
    noch wel sal opbreecken sulcke tochte en reijse
    te doen, nu moet den heere keurvorst met
    het leeger naer mijn gissine en reeckenin so 
    het daer op aengeleijt is, niet verde vande stat 
    munster of den rhijnkant1Waarschijnlijk de rijnoever weesen, tis 
    noch wel veel in sulcken weer en weegen noch 
    drij a vier mijlen daechs net so swaere leeger

    Tweede brieffragment over het leger van de Keurvorst

    te marscheere, och hoe verlanckt men hier te lande
    naer deselfve volckeren, sonder dewelck wij
    geen de minste verlosinge te verwachten
    hebbe of konne sien, het sal wel Een Elendi
    ge en mieserablewinter sijn voor veelle
    ijae voor ons alle, [ick weet noch niet hoe ickt met]

    ‘Een deseijn’

    Het Staatse leger bestaat tegenwoordig uit zeer goede militairen, heeft Margaretha vernomen. Maar ze hebben nog helemaal niets nuttigs gedaan. Ja, er was een poging gedaan om Naarden te veroveren, maar de poging was op niets uitgelopen. Margaretha voegt een belangrijk detail toe dat niet in haar eerdere brief over de aanslag op Naarden stond: het was allemaal de schuld van Antoine Charles IV de Gramont, graaf van Louvigny. De prins van Oranje had het plan willen doorzetten, en had volgens velen de stad kunnen veroveren, maar Louvigny raadde het af. De onderneming was té gewaagd. Er stond simpelweg te veel op het spel voor de jonge prins. Maar de Fransen zijn ook niet gek… Ze weten dat de prins het hier niet bij gaat laten. De hertog van Luxembourg heeft het garnizoen in Naarden versterkt met verse manschappen, voedsel en geschut.

    Eerste brieffragment over Willem III bij Naarden

    weer niet voort en koste, waer om den
    heere louvengie niet goetvont met het de
    =seijn voorte te gaen sijn hoocheijt wildender
    Erenwel op aen, da en soude so de meeste
    opijnie sijn de stat verovert hebbe, maer

    Tweede brieffragment over Willem III bij Naarden

    loeuvengi raedent af segende dat het te veel voor 
    sijn hoocheijtdie Een jonck heer is en sijn Eerste
    Exsploot soude sijn te veel gewaecht sou weese

    Nog steeds geen orde

    De poging van Willem Adriaan II van Horne – de graaf van Hoorn – om Montfoort aan te vallen was door de Franse troepen afgeslagen. Het bleek dat de graaf van Hoorn geen kruit had. Dat was hem, zei hij, wel beloofd… Margaretha vat het kort samen: er ontbreekt nog altijd het een of het ander. Veel is er niet veranderd sinds haar brief van een week geleden. Het lijkt er dan ook op dat de dood van de gebroeders De Witt nog niet veel soelaas heeft geboden. Zelfs na de dood van Johan en Cornelis de Witt wordt er nog zeer kwalijk over de broers gesproken! En dan de prins… Hij heeft zulke slechte raadgevers. Er zijn er maar weinig die het behoud van het land op de eerste plaats zetten. Er gaan ook zeer wonderlijke praatjes rond. Margaretha durft ze niet aan de pen toe te vertrouwen, schrijft ze, dus we zullen helaas nooit weten wat ze precies heeft gehoord.

    Brieffragment over de wanorde in het Staatse leger bij Montfoort

    [en vijfverees in gebracht,] den graef van hoorn
    heeft ock Een deseijn2Dessein: doel gehadt op monfoort ijae
    Een atacke daer op gedaen maer isser afge=
    slage, in de welcke kapteijn lockoert3Onbekende kapitein met Eeni
    =ge weijnige soldaete sijn doot gebleefve, doen
    donse daer voor quaeme bevont den graef van
    hoorn dat hij geen kruijt en hadt hetwelcke so
    hij seijt se hem belooft hadde te sende, insom
    ma4In somma: kortom daer ontbreeckt noch altijt het Een oft
    ander het schijnt dat met het wechneeme vande
    heeren de witte alde deesorderees5Desorder: ongeordendheid, ordeloosheid, wanorde noch niet
    wech sijn, het welcke wel bedroeft voor ons alle
    is, men spreeckt hier te lande noch seer qualijck
    van den heere bE6De adel spreek Margaretha aan me hE (hoog edele) bijvoorbeeld shE is dan zijn hoog edele, of wel “hij”. Of als ze haar man aanspreekt gebruikt ze uhEd, u hoog edele, of wel “u”. Hier gebruikt Margaretha bE, wat zou ze daarmee bedoelen? burgere edele? bestuursedele? Of iets heel anders? wil hoope men hent ongelijck
    doet, [ock van onsen buermans soon den heer]

    ‘In duijsent beraede’

    De Fransen lijken Utrecht steeds steviger in hun greep te hebben en hebben Naarden versterkt. Ook gaat het gerucht dat Engelsen bij Den Briel willen landen. Margaretha twijfelt dan ook of ze er goed aan doet om al haar spullen naar Den Haag te verhuizen, richting de kust waar mogelijk de Engelsen landen. Zal ze De Gulden Troffel nog even aanhouden? Maar de Fransen in Naarden zijn ook wel erg dichtbij…

    Toch moet Margaretha wel een keer naar Den Haag. Als ze de kinderen van haar schoondochter Philipotta niet bij zich had, dan had ze het wel geweten. Dan was ze allang richting Den Haag gegaan om het geld op te eisen waar Godard Adriaan recht op heeft. Ze belooft Godard Adriaan op de hoogte te houden. Ten minste, als de brieven aankomen… De brieven van 13 en 17 september hadden Godard Adriaan namelijk nooit bereikt. Ze hoopt dat ze De Gulden Troffel voor iets minder huurgeld dan dat ze nu betaalde kon aanhouden, al was het maar voor de winter. Ze blijft in duijsent beraede…

    Eerste brieffragment verhuizen naar Den Haag of niet?

    [men nu seijt is niet met al geweest,] so omt
    Een alst ander derf ick mij so met persoone
    als goet niet teenemael in den haech begeef
    maer heb gedocht of ick dit huijs hier dat

    Tweede brieffragment verhuizen naar Den Haag of niet?

    noch niet verhuert is voor de winter als ickt voor
    Een mindere prijs kost krijge noch in huer
    hieldt en liet de muebel hier in met den
    drost en sijn vrou en vader om die te bewaere
    en dat wij met de kindere naer den haech
    gingen op deerste onraet aldaer koste
    Wij weer hier koomen, so uhE dit so goet
    vint salt selfve met de Eerste post van
    uhEd verwachte te verstaen, dewijl den tijt
    vant verhuijse seer nadert sal ick naer
    uhEd antwoort hier op verlange, hebt al

    Haagse roddels

    Direct na Margaretha’s opmerking over de kwalijke praat over de gebroeders De Witt, schrijft ze een curieus verhaal. Ze beschrijft mensen omfloerst, waarschijnlijk omdat ze vermoedt dat er mogelijk mee gelezen wordt. Ze zegt niet letterlijk dat er een relatie is met de verhalen over de gebroeders De Witt, maar door de overgang laat ze je het wel vermoeden.

    Portret van Abraham de Wicquefort gezeten, driekwart naar rechts. Een man helemaal in het zwart, met een witte vierkante kraag. Grijzige krullen tot op de schouders en priemende ogen richting de kijker. Zijn rechterhand rust op een tafeltje met twee boeken, zijn linkerhand heeft hij op de borst.
    Portret van Abraham de Wicquefort. Caspar Netscher, 1660-1690. Collectie: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort / AA1474

    Ze schrijft over de zoon van een buurman ‘die zijn wijn van de avond tot de morgen graag lust’7Mogelijk wordt met de buurman Frederik van Nassau-Zuylestein bedoeld. Zijn kasteel Zuylenstein staat vlakbij Kasteel Amerongen.. Samen met een vriend van haar zoon Godard, die één oog heeft, gaat de onbekende zoon van de onbekende buurman laat in avond naar het Noordeinde. Helaas wordt uit de brief niet duidelijk wie Margaretha bedoelt en of ze het heeft over haar Haagse, Amsterdamse of Amerongse buurman. Maar een saillant detail is dat de twee genoemde personen naar ‘fickfoort’ gaan, die op het Noordeinde woont. Zeer waarschijnlijk bedoelt Margaretha hiermee diplomaat Abraham de Wicquefort, een zeer illuster figuur in de zeventiende eeuw, die inderdaad op het Noordeinde woonde. Margaretha weet niet of het waar is, maar het is wel een vreemd verhaal, te meer omdat Abraham de Wicquefort toentertijd toch wel bekend stond als een vertrouweling van wijlen Johan de Witt. Het past in de lijn van de rest van de brief. Wordt zijne Hoogheid wel goed gediend?

    [doet,] ock van onsen buermans soon den heer
    die sijn wijn vande avont tot den merge so wel
    mach die int voorhout woont en ons kinder
    goede vriendt met Een ooch, dat die alle
    nacht of heel laet inde avont komperijsi8Comparitie: een gelegenheid of plaats waarbij men verschijnt int
    noordijnde bij fickfoort9Van Wicquefort via Wickfoort en Vickfoort naar Fickfoort houde, oft waer is
    weet ick niet altijt se sijn seer int ooch, [sijn]

  • De Polen en de Turken

    DatumPlaats
    Geschreven4 oktober 1672Amsterdam
    Ontvangen
    Lees hier de originele brief

    Er is voor Margaretha weinig nieuws om te melden aan Godard Adriaan, maar zoals beloofd slaat ze geen post over. Na de Slag bij Naarden blijft het stil. Willem III is weer naar Zwammerdam “of daer on trent” getrokken met zijn leger en er schijnt iets op handen te zijn. Wat dat is, dat weet Margaretha niet.

    De prinselijke boot (met een heel grote driekleur) vaart rustig langs wat wat boeren schuren lijken t e zijn.
    Gezicht op het kwartier van prins Willem III te Bodegraven, Valentijn Klotz (manier van), 1672. Collectie: Rijksmuseum

    Nieuws uit Polen

    Wel besteed Margaretha tijd om te schrijven over wat er speelt tussen de Polen en de Turken. De Poolse koning Michaël I vecht daar een oorlog uit tegen de Ottomanen en het gaat niet de goede kant op.

    Brieffragment over de Polen en de Turken en Keizer Leopold I

    de quade tijdine die wt poo
    =len[1] komt maeckt hier onder de koopliede
    geen kleijne ontsteltenis en vreest men
    dat de keijser1De Oostenrijkse keizer Leopold I daer door so veel te doen
    mochte krijge dat ons die volckere mocht

    Tweede deel van brieffragment over de Polen en de Turken

    ontrocke worden, andere segge weer dat dat
    geen noot sal sijn dewijlle so geseijt wort de muskovijter2Moskovieten: het Tsaardom Rusland stond ook wel bekend als het Tsaardom Moskovië den pool te hulpe sal koome

    Voor de Republiek lijkt deze verre oorlog die zich afspeelt in Oekraïne op het oog niet heel relevant. Toch zien de kooplieden — en Margaretha — hier wel reden voor zorgen. De oorlog woedt dicht bij de grenzen van het Heilige Roomse Rijk, waar Leopold I over heerst. Bovendien liggen gebieden van de Keurvorst van Brandenburg ook relatief dichtbij het oorlogsgewoel. Deze twee Duitse vorsten zouden bij een Ottomaanse doorbraak op hun eigen gebieden moeten letten en minder aandacht en troepen over hebben voor de Republiek. Die langverwachte Brandenburgse troepen zouden dan toch nog weggetrokken worden.

    Een strijdveld vol met paarden. Op de voorgrond een Turk met een tulband in een rode jas en een krom zwaard in zijn hand, die af stormt op een Pool met een helm en een langs. Achter hun zwaait iemand met een zwarte vlag met daarop een halve maan.
    Gevecht om een Turkse Standaard, Jozef Brandt, 1905. Collectie: Muzeum Narodowe w Krakowie

    Na het delen van dit onheilspellende nieuws gaat Margaretha snel weer over tot de orde van de dag. Godard Adriaans salaris, wat ze nu al maanden probeert te innen, is immers nog steeds niet binnen.

  • Naarden, Turenne en zadels

    DatumPlaats
    Geschreven1 oktober 1672Amsterdam
    Ontvangen
    Lees hier de originele brief

    De postbezorging gaat wederom niet zo soepel. Godard Adriaan heeft in zijn laatste brief aangegeven dat hij Margaretha’s brieven van 3 en 10 september heeft ontvangen, maar Margaretha schrijft dat ze daartussen nóg een brief verstuurd heeft; ze heeft immers nooit verzuimd haar man te schrijven. Merkwaardig is dan ook dat de brieven van 6 en 10 september wel bewaard zijn gebleven, maar de brief van 3 september niet.

    wt Amsterdam den Eerste ockto
    1672

    Mijn heer en lieste hartge

    uhEd mesiefve vande 18 dee pasato is mij behandicht
    wt leeuwenburch1Slot Leeuwenburg int stift heijldersheijm2Hildesheim, onder Hannover geschreefve
    uhEd schrijft de mijne vande 3 en 10 ontfange te hebbe
    daer moet noch Een tuschen beijde geweest sijn
    want heb niet Eene post gemankeert te schrijfve

    De brief van 1 oktober 1672 bevat veel oorlogsnieuws. Wat is de burggraaf van Turenne van plan? Wat is er precies in Naarden gebeurd? Is het allemaal wel waar wat er verteld wordt? En wanneer vindt die conjunctie van de Brandenburgse en Keizerlijke troepen nu eindelijk plaats?

    De manœuvres van Turenne

    Portret van een man, Turenne, tegen een bruine achtergrond. De man met lang krullend haar, snor en een sikje kijkt dromerig naar rechts weg.
    Henri de la Tour d’Auvergne, burggraaf van Turenne, Charles le Brun, na 1664. Collectie: Versailles

    Aan de vorige brief (uit het kasteel Leeuwenburg in het Stift Hildesheim) kan Margaretha zien dat de troepen van Brandenburg eindelijk op pad zijn. Ze maakt zicht wel zorgen, want Hendrik de la Tour d’Auvergne, de burggraaf van Turenne, trekt met een leger naar het oosten. Hoe veel man telt de legermacht van deze Turenne (Margaretha noemt de legeraanvoerder ‘tureijne’)? In de Republiek gelooft niemand dat Turennes leger meer dan 20.000 man sterk is. Volgens Margaretha wil Turenne geen slag leveren, maar is hij van plan om in het defensief te gaan en de Rijn te bezetten.

    Tijdens het schrijven van deze brief, ontvangt Margaretha de brief van Godard van 20 september uit Bockenem. De wegen moeten wel erg slecht zijn, nu het zo langdurig geregend heeft. God staat nog niet aan de kant van de Republiek… Maar de samenvoeging van de Brandenburgse en de Keizerlijke troepen heeft inmiddels plaatsgevonden, weet ze.

    De aanslag op Naarden

    Op dinsdag 28 september hebben de Staatse troepen een poging gedaan om Naarden op de Fransen te heroveren. Het plan heeft geen doorgang kunnen vinden, schrijft Margaretha. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste heeft de jonge rijngraaf van Salm, Carel Florentijn, zijn regiment de opdracht gegeven om te wachten. Het plan voor dit regiment was om de Naarden via het water aan te vallen. Maar de rijngraaf heeft te lang gewacht: het was ondertussen windstil geworden. Ten tweede waren de schepen door het geschut dat erop geplaatst was te breed geworden. Er ontbrak te veel en het plan kon niet doorgaan. Degene die voor dit mislukte plan verantwoordelijk is, moet de volgende keer wat beter plannen, vindt Margaretha. Het lag volgens de kasteelvrouwe in ieder geval niet aan prins Willem III: de prins is waakzaam, maar heeft geen goede assistentie.

    Fragment 1 over de aanslag op Naarden.
    Fragment 2 over de aanslag op Naarden

    [rhijn te besette,] voorleeden dijnsdach snachts

    schijnt hier Een aenslach op naerden geweest te
    sijn dewelcke niet aen heeft gegaen ter oorsaecke
    dat den jongen rhijngraef3Carel Florentijn van Salm sijn volck dat scheep was
    en door deese stat wilde daerse buijten om hade
    konne vaeren, order had gegeefve om hier tot
    naerder ordere te wachte ondertusche ginck de
    wint heel legge dat se niet voort en koste, het
    geschut dat op vloot scheepe was geset waeren
    de vlotte te breef datse niet door de boomen
    kosten, so datter veel ontbrack ent deseijn4Dessein: plan geen
    voort gan kost hebbe die de dierexsi5Directie: leiding daervan
    heeft gehadt had voor alles wat beeter sorch
    moeten dragen, ick hoope sij hier door geleert
    sulle weesen op alles beeter acht te neemen,
    sijn hoocheijt is vigelant6Vigilant: waakzaam genoem en sal niet licht
    Eits versuijmen maer is ongeluckich geen beeter
    Asistensie te hebben, [nu seijt men of men naerde]

    Gravure vanaf de Zuiderzee naar Naarden. Op de voorgrond een roeibootjes, daarachter zeilbootjes. Op de achtergrond de kerk en de bastions van Naarden.
    Gezicht op Naarden vanaf het water, Gaspar Bouttats (1674). Collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen
    Tekst onder het origineel: Naerden in Hollant light een goede myle van Muyden en Weesp, is de Hooft-stadt van Goeylandt welck Balieuschap sijnen naem heeft van Goedele Abdisse van ‘t Clooster Altena. Een wel bekent Stedeken door de drappery en Naerdsche laeckenen. Heeft sijn beginsele uyt de ruine van het oude Naerden bij de Zuyder Zee, het welck eertydts door den Bisschop van Vtrecht gheruineert is. Anno 1572 wiert het Stedeken door Don Frederico Sone van den Hertogh van Alba ghedwongen ende Borghers tusschen branden en moorden meestendeel hun huysen gheplundert, dan is daer nae weder aen den Staet van Holland ghecomen: Nu verovert door LOVYS den XIV, Coninck van Vranckryck Anno 1672

    Ook heeft Margaretha vernomen dat gisteren Staatse en Franse troepen slaags waren geraakt op de hei. De Fransen waren door ‘de onze’ verslagen en op de vlucht geslagen. In Muiden hadden de Staatse militairen enkele Franse krijgsgevangen binnengebracht. Hoewel Margaretha hoopt dat het verhaal waar is, twijfelt ze. Er wordt immers zo veel gelogen, niets is meer met zekerheid te zeggen.

    Het leger van Willem III telt ondertussen 20.000 man, en zal bovendien versterkt worden met mariniers. Ook zijn er in Amsterdam acht vaandels aangekomen. Sommige zeggen dat de troepen afkomstig zijn uit Groningen, andere zeggen dat het troepen zijn van de hertog van Holstein. Vermoedelijk heeft Margaretha de troepen gezien, want ze weet de vaandels goed te beschrijven: violette vaandels met op de hoek van ieder vaandel een leeuw, en een wit vaandel met oranje sjerpen.

    ‘Saels en ander paerde tuijch’ naar Hamburg

    Gisteren, dus 30 september, heeft Margaretha op verzoek van Godard Adriaan manden met zadels en ander paardentuig naar Hamburg verzonden. Ze voegt bij haar brief een kopie van een brief die ze naar Temminck heeft gezonden toe.

    Adriaan Temminck was de bankier van de familie. Deze van oorsprong Duitse familie regelt de geldzaken. Kennelijk zit er ook een telg Temminck in Hamburg. Godard Adriaan zal goed contact met deze Temminck gehad hebben, aangezien hij tijdens het begin van deze missie Hamburg als thuisbasis had.

    Margaretha wist niet naar welk adres ze de manden kon sturen, dus heeft ze ze aan de Hamburgse Temminck geadresseerd, met het verzoek de manden zo spoedig mogelijk naar Godard Adriaan door te sturen. Ook in deze brief gaat Margaretha in op de oorlog.

    Dat de relaties met de familie Temminck zijn goed blijkt uit de afsluiting van de brief: ze doet de hartelijke groeten aan zijn vrouw.

    Brieffragment over de zadels, uit de brief aan Temminck.

    en dat wij noch voorde winter van de vijande wt
    de provinsie van wttrecht mooge verlost
    worde, of ick sie ons Een seer Elendich
    leefve ijae vreese so sij daer blijfve dat men
    hier op den volle middach de stats poorten
    niet sal durfven open laete, het welcke
    de heer almachtich wil verhoeden, in wiens
    heijlige bescherminge vE beveelle en
    blijfve
    Men heer teminck
    uE gans geafexsioneerde
    vriendin MT E vrij vrou
    van Ameronge ginckel en
    Elst Et

    ick versoecke
    toch mijn harte=
    lijcke groetenis
    aen uE liefve huijsvrou
    en so uE heer en me vrou swaen
    siet mijn dienst te
    preesenteere

  • Amsterdammers in Utrecht

    Eén van de redenen dat Lodewijk XIV bijzonder geïnteresseerd was in de Republiek, was dat de Republiek zo rijk was. En rijke mensen kunnen veel belasting betalen, dus leek het Lodewijk handig om deze rijke Hollanders als onderdanen te hebben.

    Enorm rijke Amsterdammers

    Wie waren nu die echt enorm rijken in de Republiek? Spoiler alert! Het waren vooral Amsterdammers. Lodewijk XIV had de pech dat Kees Zandvliet de Quote 500 van de 17e eeuw nog niet geschreven had. Wij kunnen wel gebruik maken van zijn werk: meer dan 80% van de rijken woonde in Holland en zij bezaten bijna 70% van het totale vermogen (als we de Oranjes mee tellen zelfs bijna 90%). En van die Hollandse rijken zat de meerderheid dan ook nog eens in Amsterdam. De helft van alle rijken van de Republiek woonde daar en zij bezaten ook de helft van al het vermogen. Zo op het eerste gezicht had Lodewijk dus echt pech met de waterlinie. Al dat geld, zo dichtbij en zo onbereikbaar…

    Buitenplaatsen

    In haar brief van 10 september schrijft Margaretha dat de Amsterdammers ‘die haer huys en goet aende vecht hebbe legge’ zwaarder belast worden dan de Utrechtse edelen. Al sinds de 16 eeuw is er een trend in de steden om “een buiten” te hebben: een plek om in de zomer buiten de stad te vertoeven. En naarmate Amsterdammers rijker worden, worden de buitenplaatsen steeds luxueuzer.

    Een oude schoolplaat van Czaar Peter de Groote, die Petersburg1Petersburg dateert van na 1700 en ligt net aan de Noordhollandse kant van de Vecht in Nederhorst den Berg en staat daarom niet op het kaartje aan de Vecht bezoekt, door Nicolaas van der Waay.

    Eén van de meest idyllische plekjes om je buitenplaats te bouwen was aan de Vecht. Hier lagen aan het begin van de 17e eeuw een tiental adellijke (Utrechtse!) kastelen. Al vanaf eind 16e eeuw koopt de familie Huydecoper grond direct gelegen aan de Vecht. Deze rijke Amsterdamse familie zoekt een plek om te investeren en dat doen ze (onder andere) hier. De familie Huydecoper is in de regio nu vooral bekend vanwege het feit dat ze de eerste buitenplaats aan de Vecht bouwden: Goudestein (nu het gemeentehuis van de gemeente Stichtse Vecht). Vanaf de jaren 1630/1640 worden er overal rond de Vecht hofsteden of “echte” buitenplaatsen gebouwd. In de jaren 60 van dezelfde eeuw reist Cosimo III de Medici reis per trekschuit over de Vecht. In zijn reisverslag schrijft hij over de vele symmetrische paleisjes met goede proporties en hun tuinen.

    Afbeelding van een kaart met daar in getekend een buitenplaats langs de Vecht. De rijke Amsterdamse koopman Joan Huydecoper kocht het gebied en ontwikkelde buitenplaatsen die ze verkochten of ze verkochten direct de grond. Op de afbeelding staan kavels ingetekend met daarin de aanduiding hoeveel morgen het land groot is.
    kaart door Balthasar Florisz. van Berckenroode van de buitenplaats Goudestein te Maarsseveen, 1629. Linksonder Goudestein rechts het dorp Maarssen en het kasteel Bolestein. De rest van het gebied is al verkaveld: op zoek naar kopers! Bron: Het Utrechts Archief

    Na de inval van Lodewijk XIV en het vol laten lopen van de Waterlinie liggen de buitens aan de Vecht (en de Angstel) allemaal in Utrechts gebied. Voor de Fransen een uitgelezen kans om zo veel mogelijk geld uit die Hollanders te schudden.

    Margaretha en de Amsterdammers

    Margaretha zit weliswaar in Amsterdam, maar haar netwerk bestaat met name uit de Utrechtse adel, dus daar gaat de het grootste deel van haar berichtgeving over. Als het nieuwswaardig is, komen de Amsterdamse kooplieden en regenten wel aan bod.

    De kaart is interactie (en uit te vergroten). Hierop staan de buitenplaatsen en kastelen die in het Rampjaar aan de Vecht lagen. Rood is Amsterdams, blauw is Utrechtse adel en geel is anders (Utrechtse notabelen of onbekend). Met het icoontje links boven is het mogelijk de buitenplaatsen te zien die ná het rampjaar nog aan de Vecht gebouwd zijn (grijs).

  • Nat weer en boze vrouwen

    DatumPlaats
    Geschreven20 september 1672Amsterdam
    Ontvangen
    Lees hier de originele brief

    Net als met de brief van de 17e is de aanhef van deze brief summier: verder dan “Mijn heer en” komt Margaretha niet. Ze begint met een dienstmededeling: de post doet er lang over. De brief die Margaretha gisteren van haar man heeft gekregen is meer dan tien dagen oud. Gelukkig kan ze met goed nieuws beginnen.

    Modderige wegen

    Eindelijk! Via de gezanten van de keurvorst in Den Haag is er nieuws over de Brandenburgse troepen. Margaretha schrijft dat ze gehoord heeft dat de gezanten tegen Willem III hebben gezegd, dat er een samenvoeging heeft plaatsgevonden van de keizerlijke1Keizer Leopold van het Heilige Roomse Rijk bemoeit zich inmiddels ook met de strijd. Hij vreest voor teveel macht van Lodewijk XIV in Europa. en de Brandenburgse troepen en dat ze eindelijk zo ver zijn om te gaan marcheren. Hoewel ze verheugt is door dit nieuws, steken de zorgen ook weer snel de kop op. De langdurige regen zal het de legers niet gemakkelijk maken zich snel te verplaatsen over de modderige wegen die zijn ontstaan. Margaretha weet het weer helder te omschrijven:

    Brieffragment over het natte weer, transcriptie staat eronder

    [ons dan helpen,] och wij verlange en snacke
    naer de droochte als een visge naert water, en dat
    om van ons swaere en onverdrachlijcke ijock2juk der
    franse ontlast te worden, hoewel geseijt wort
    dat dit natte en onstuijmich weer de franse ock
    so inkomoodeert3hindert dat het meerendeel van haer
    volck versmelt4de moed verliest] [en meest al aende roode loop]

    Een pentekening met ongeveer 3/4 lucht. Onderaan is met pen aan de linker kant een paar kleine gebouwtjes en een hooiberg getekend en aan de rechterkant een kloostergebouw met trapgevel en spitse toren. Eronder stat geschreven St Servaas klooster Binnen Uijtregt
    Het St.-Servaasklooster te Utrecht. Tekening van J. Stellingwerf uit ca.1725. Bron: Het Utrechts Archief

    Suchten en kermen

    Het Franse leger verzwakt ook door de ‘roode loop’, ofwel de dysenterie, die rond gaat. Margaretha stelt dat de greep op Utrecht hiermee ook verzwakt, omdat de helft van de Fransen ziek in gasthuizen of in het Servaasklooster ligt. Maar burgers klagen (‘suchten en kermen’) vooral over de zware inkwartiering die hen is opgelegd. Burgers zijn verplicht vier tot vijf mannen in huis op te nemen. Dat brengt nu al veel last mee, maar in de wintermaanden zal dat alleen maar erger zal worden.

    Tweehonderd vrouwen

    Het was een aantal vrouwen opgevallen dat er in het huis van Burgermeester Hamel5Nicolaas Hamel echter geen enkele Fransman was ingekwartierd. Ze denken dat hij dit te heeft afgekocht. Hierop riepen de vrouwen, dat ze hem hetzelfde willen aandoen als wat er in Den Haag met de gebroeders de Witt is gebeurd! Dit opstootje veranderde razend snel in een flinke opstand van zo’n tweehonderd vrouwen die voor de deur van de burgemeester stonden. Het had zomaar mis kunnen gaan, maar Franse soldaten wisten ze weer uit elkaar te drijven.

    Brieffragment over het boze vrouwen, transcriptie staat eronder

    Elck moet daer 3 a 4 en 5 man in huijs hebbe
    het welcke se segge niet langer te konne op bren
    =gen, daer over Een deel wijfver6wijven: vrouwen aent huijs vande
    burgemeester hamel sijn geweest vragende naer
    haman7ha man=haar man? die sij wilde spreecken als hij quam seijdese
    hem wat hij met haer int sin had ha dat hij se ver
    kocht had en nu so swaer belast wierde en
    sijn huijs vrij van volck was, maer datse hem
    soude doen gelijck de witte inde haech geschiet waert
    want dat sij hem die verkoopine soude doen betaele
    de in Een ochgenblick tijts waerender meer als
    twee hondert vrouwe daer quam terstont
    krijsvolck in wapene voor de deur daer meede het
    gestilt wiert, [hier ist ock noch niet soot wel hoort]

    Een seer ongeluckige stant

    Margaretha wijdt verder uit over haar zorgen. Als de hulptroepen niet snel de kant van de Republiek op komen, kan het maar zo dat de Fransen ook nog in de winter in Utrecht huishouden. Ze vreest dat Den Haag dan niet lang meer stand kan houden. Aan de andere kant vermeldt zijne hoogheid wel dat hij een leger van zo’n 30 duizend man bijeen heeft gebracht. Maar ook hier noemt Margaretha het natte weer, dat een snelle overwinning in de weg zal zitten.
    Ze eindigt haar brief met dat er huizen en landerijen in brand zijn gestoken (mogelijk in Maarn) en dat ze vreest voor haar arme dorp Amerongen. Het is de eerste keer dat ze expliciet schrijft over branden die door de Fransen in Utrecht gesticht zijn. Geen wonder dat ze weer kortaf is in haar afsluiting: meer dan “UhEd getrouwe” krijgt ze niet uit haar pen.

    Nachtelijke brand in een dorp, Adam Colonia, 1650 – 1685. Collectie Rijksmuseum
  • Tirade

    DatumPlaats
    Geschreven17 september 1672Amsterdam
    Ontvangen
    Lees hier de originele brief

    Margaretha is prikkelbaar. Ze maakt niet eens haar aanhef af en valt gelijk met de deur in huis. “Mijn heer en” en daar houdt de aanhef op. Ze stuurt een brief mee die ze aan haar zoon gestuurd heeft en het gaat erover om iemand die ergens schuld aan heeft. Omdat we de brief aan haar zoon niet hebben, weten we niet wat er precies gebeurd is. Vrij snel wordt er een neef bij gehaald, die ook vrij weinig goed gedaan heeft en kan doen.

    De tirade over deze neef neemt een hele pagina in beslag. Wat interessant hieraan is, is dat ze de naam van de neef niet noemt. Kennelijk gaat ze ervan uit dat er meegelezen wordt en dat Godard Adriaan door de beschrijving wel weet over wie het gaat. Voor ons is het daardoor vrij lastig te volgen waar het over gaat. Meer over deze tirade in de laatste alinea.

    Margaretha Turnor door onbekende schilder (1680-1699), collectie Kasteel Heeze. Dit is hoe ik me een prikkelbare Margaretha voorstel.

    Amsterdam of Den Haag?

    Margaretha zit zelf met een dilemma. Ze heeft een schip gehuurd om spullen van Amsterdam naar Den Haag te sturen. De vraag blijft waar het veilig is. Het duurt lang voor de Brandenburgse troepen er zijn en het veldtochtseizoen loopt op zijn einde. De Engelsen beginnen weer te dreigen. En wat als de Fransen in de winter nog in Utrecht zitten? Stel dat het gaat vriezen en ze dan met al het goed moet vluchten! Ze kijkt het nog 14 dagen aan, maar hoopt voor die tijd wel het goedvinden haar man te krijgen.

    [staen, en ons alle bewaeren,] ick weet niet wat
    ick doen sal heb al geen schip gehuert om mijn
    goet naer den haech te brenge, dan hebt selfve
    noch 14 opgehoude en wtgestelt, dewijlle
    het afkoome vande auxijlaere troepees so
    lange tardeert en ondertuschen het heelle
    saeijsoen verloopt , sijn hier groote en kleijne
    seer bekomert de Engelse dreijge ock noch
    met haer vloot te landen, so dat men aen
    alle kante seer benout is, en voorseecker
    hout so de franse voorde winter niet wt de provinsi

    van wttrech raecken wij inde haech niet verseeckert
    sulle sijn en int hartge van de winter te moete
    vluchte weet ick niet hoe men met alt goet
    wech sou raecken daerom ick in duijsent bekom
    merine ben niet seetende wat ick doen sal,
    ben half gereesolveert het noch Een maent in
    te sien en so lan hier te blijfve ondertuschen
    uhEd goetvinde hier op verwachte, [ick kan niet]

    De Hertog van Luxemburg

    Pas na drie pagina’s gaat het weer over de Hertog van Luxemburg. Er is op last van de koning een nieuw plakkaat uitgegaan. Alle bewoners en ingezetenen van de bezette gebieden moeten binnen een maand terug keren naar hun huis. Margaretha blijft er nuchter onder, maar ze vermoedt dat haar schoondochter een nieuw alarm zal zijn.
    Waar in de vorige brief de straf voor het niet betalen van de brandschatting in beslag name en platbranden was, is dat nu al de straf voor niet terug komen.

    [sien worde souden sij haer beraeden,] daer op
    is gistere weer Een plakaet vande hartooch
    van lutsenburch wt last vande koninck wt
    gekoomen waer bij alle ingeseetene en in
    woonders *die haer huisine en woonplaetse inde gekonkesteerde plaetse* hebbe wort gelast voort wtgaen van
    deese maent aldaer weederom te koome haer
    woonplaets neeme op peene dat van die tijt
    af haer goederen voor gekonfisqueert sulle af naer

    Het deel tussen * * staat links overdwars

    gehoude werde, haere huijse geraeseert en afgebrant en alle plantaesie af
    gehouwe en geruwineert worde, dit sal weer Een nieu
    =we alarm voorde vrou van ginckel sijn, hoet nu onse
    wtterse vriende sulle maecken sal mijn benieuwen
    de mense worde onder de franse met haer in quartierine
    so seer beswaert dat sijt niet langer harde konen[, men seijt]

    Nog steeds prikkelbaar

    Ook al schrijft Margaretha nog over allerlei saaie onderwerpen als de lokale politiek, ordinanties en belastingen, ze raakt de prikkelbaarheid niet kwijt. Ook haar ondertekening en de PS zijn wat dat betreft luid en duidelijk. Niks geen liefste hartje, en na “UhEd getrouwe” een pinnig Et(cetera). Ze stuurt Godard Adriaan een pamflet mee. Mogelijk heeft hij haar laten weten dat ze haar toon een beetje moet matigen, maar in dit boekje kan hij zelf zien hoe vilein het er tegenwoordig aan toe gaat.

    [verwachte,] hier meede blijfve

    Mijn heer
    uhEd getrouwe Et

    ick sende dit boeckge
    op dat uhEd sout sien
    wat vieleijnije hier
    in swan gaet1In zwang gaan: beoefend/bedreven worden (op grote schaal, populair) hoop het wel sal overkoome

    De tirade: puzzelen en zoeken

    Terug naar de tirade uit het begin de brief. Het volgende fragment is behoorlijk onbegrijpelijk en geeft daardoor een mooi beeld van wat voor puzzels je als lezer van dit soort oude brieven moet oplossen.

    Om te beginnen is er het taalgebruik. Er zijn veel woorden die je met kennis van Engels, Duits en/of Frans wel kunt invullen, maar die je voor de zekerheid toch beter even kunt opzoeken. Gelukkig staat het Woordenboek Nederlandse Taal gewoon online. Als het echt lastig wordt, zijn de medewerkers daar ook nooit te beroerd om je te helpen. Een groot deel van de puzzel is dat er nog geen standaard spelling bestaat en veel woorden fonetisch opgeschreven zijn.

    Lastiger zijn de uitdrukkingen. Daarvoor biedt het Spreekwoordenboek van Stoett vaak uitkomst, bijvoorbeeld bij “reizen en rotsen”. “Het oor heel en dal hebben” is lastig terug te vinden, maar daar biedt Twitter soelaas. “Heel en dal” is bijvoorbeeld een door oma’s nog gebruikt synoniem voor “helemaal”. De combinatie met het oor blijft vooralsnog onduidelijk.

    maer onse Neef die sich inmasgeneert2Imagineren:zich voorstellen het oor heel
    en dal te hebbe3Onbekende uitdrukking , en die uhEd de voorleedene winter
    en ick in ick uhEd apsensie, op sijn begeere heb gereijst
    en gerotst4Reizen en rotsen is een gebruikelijke samentrekking. Rotsen is vooral het (hard of wild) rijden met een paard of rijtuig en op sijn versoecke verscheijde briefve
    aende kleijne steede geschreefve met alleen voor Eij in
    sijn faveur maer ick voor sijn neef van vos ,
    so veel gunst hebbe beweesen, de wijlle hem voort
    vergeefve hier van w is gesproocken, had het wel
    moogen teegen spreecke en Erhinderen5verhinderen het geene
    op uhEd vertreck pas afgesproocken, dan dien
    man heeft so veel te doen met Een komijs6Commies: een persoon aan wie een ambtenaar een deel van zijn taak overdraagt vander
    dussen die genoechsaem bij alle Eerlijcke liede
    voor infaem gehoude wert Eens sauve guarde7Sauvegarde: bescherming van goederen of personen
    van sijn te prockwreere8Procureren: verschaffen, bewerkstelligen , en Ene sautijn hier
    inde reegeerine te brenge, het welcke, soot
    te weete het leste so het Eerste is geschiet

    aengaet ick vreese mender van sal hoore, want
    die man en ons voorseijde neef sijn vader hier
    so int ooch sijn dat publijck op de straet daer
    van gesproocke wort en ick vreese sijt haer be=
    klaechge sulle, ick derfse niet waerschouwe,
    hij maeckt hem daermeede so veel te doen dat hij
    die voornoemde weldade vergeet en in uhEd
    apsensie aen sijn vriende niet meer en
    denckt, in somma Elck siet maer op sijn Eij
    gen intreste en daer hij sijn voordeel van
    treckt, het gaet hier teegenwoordich so dat
    uhEd hier waert sou hem verwonderen en
    verset staen, voor mijn weet niet langer wat
    ick segge of dencken sal de heere wil ons bij
    staen, en ons alle bewaeren, [ick weet niet wat]

    En dan is er nog die geheimzinnige neef. Een eerste probleem is dat het begrip neef bij Margaretha erg rekbaar is. Het gaat verder dan wat we technisch gezien een neef zouden noemen. Het is bijna de “clan” waar het over gaat. We krijgen in het stuk verschillende hints over de neef. Hij is weer een neef van ene Vos, die kennelijk geen neef van Godard Adriaan en Margaretha is. Kennelijk heeft hij nogal wat gunsten aan Godard Adriaan gevraagd, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor de leden uit zijn “clan”.

    Kennelijk heeft hij te doen gehad met een ambtenaar Van der Dussen, die niemand vertrouwt en is verantwoordelijk voor de aanstelling van ene Sautijn. Dat laatste is in ieder geval echt gebeurd volgens Margaretha. En daarin zit ook de eerste hint naar wie de neef zou kunnen zijn. Gillis Sautijn zijn is op 10 september door Stadhouder Willem III in de Amsterdamse vroedschap benoemd op voorspraak van Johan van Reede van Renswoude (Elias 1903, CXXII, onderaan de pagina). Als dit waar zou zijn, dan is het logisch dat Margaretha hem niet direct noemt: Johan van Reede van Renswoude was een belangrijke steunpilaar voor Godard Adriaan in de Utrechtse politiek en Stadhouder Willem III vertrouwde op hem. Het is alleen maar één bron en alle andere hints zijn nog niet uitgezocht.

    Zo puzzelen de lezers van de brieven op verschillende details om erachter te komen wat Margaretha echt bedoelt. Daar zullen we alleen lang niet altijd (nu) achter komen.

  • Pamfletten: vileine geschriften en blauwe boekjes

    Margaretha Turnor laat weinig los over waar ze de informatie in de brieven aan haar man vandaan heeft. Maar aan de manier waarop ze gebeurtenissen beschrijft, herken je verrassend vaak de betogen uit de pamfletten die tijdens het Rampjaar verschenen.

    In 1672 verschenen in de Republiek maar liefst 1600 verschillende pamfletten. Een groot deel daarvan was samengesteld door burgers en ging over de ‘verraders’ Johan en Cornelis de Witt. De Franse opmars was zo ontzettend snel gegaan, er moest wel verraad in het spel zijn! Zo dachten veel burgers tenminste…

    Pamfletten

    De term ‘pamflet’ werd in de 17e eeuw nog niet gebruikt. Wat we nu een pamflet noemen werd toen een ‘blauwboekje’, ‘paskwill’ of ‘libelle’ genoemd. Er bestaat eigenlijk nog steeds geen echte definitie van de term ‘pamflet’. Over het algemeen is het een gedrukte tekst die inspeelt op de (politieke) actualiteit. Hierbij is het de bedoeling om mensen te overtuigen van een politiek standpunt. Johan de Witt negeerde dit type drukwerk gewoonlijk. Toch vond hij het op 20 juli 1672 nodig om op de beschuldigingen te reageren. Corrupt, dat was hij niet! De Witt gebruikte zelf ook een pamflet om zich te verdedigen en de beschuldigingen te weerleggen. De pamfletten uit het Rampjaar 1672 waren vaak ontzettend fel, stonden vol nepnieuws, hekelden doorgaans Johan de Witt en consorten en bejubelden Willem III.

    Verraders

    Regelmatig verwezen pamfletten naar het vermeende verraad van de legerleiders en de regenten. Staat en militie hadden ernstige reputatieschade opgelopen. Volgens één pamflet had De Witt ‘zijn vrient Mombas1Jean Barton de Montbas’ naar het Tolhuis gestuurd ‘om de Francen niet alleen over te laten; maer haer de wegh te wijssen’. Margaretha had ook iets dergelijks vernomen: Montbas zou met de vijand gecorrespondeerd hebben en de vijand hebben gewezen op het zwakste punt, het punt waar het Franse leger de opmars over de Rijn het best kon inzetten.

    Voorpagina van een pamflet met de tekst: Appendix, Ofte Staert van den GROOTEN en WITTEN DUYVEL. Waer inne mede Verbotenus is geinsereert De Sententie van den Krijghs-Raedt over den Verrader MOMBA gewesen, met de Missive daer over by sijn Hoogheyt den Heer Prince van Orangien aen Haer Ho: Mog: de Staten Generael geschreven.  ANNO M.DC.LXXII
    Een pamflet over de ‘verrader Montbas’. ‘Grooten’ verwijst naar ambassadeur Pieter de Groot, de zoon van Hugo de Groot. ‘Witten’ verwijst naar Johan de Witt. Collectie Merle Lammers.

    De straat op!

    Pamfletten waren vooral succesvol als ze bevestigden wat een groot deel van de bevolking tóch al dacht. Uitgevers, auteurs en drukkers van pamfletten speelden dan ook gretig in op het idee dat er verraad in het spel zou zijn. De drukpersen draaiden overuren. De naam van de Prins van Oranje galmde door de straten. Boze burgers riepen op tot de benoeming van de Prins van Oranje tot stadhouder: ze vonden dat hij naast legerleider ook stadhouder moest worden.

    Portret van een man met lange donkere krullen en een grote neus in een harnas. Hij staat naar rechts gedraaid en kijkt ons ietwat droevig aan. Zijn linker hand ligt op een helm, in zijn rechterhand heeft hij een commandostok. Een hond kijkt verlekkerd naar de stok.
    Portret van Willem III (1650-1702), prins van Oranje, Willem Wissing (manier van), 1680 – 1710. Collectie: Rijksmuseum

    Op 6 juni 1672 schrijft Margaretha al dat er zeer slecht over sommige regenten wordt gesproken. Ze hoopte dat het leugens waren. Elf dagen later schrijft Margaretha dat er in verschillende steden oproeren uit waren gebroken. In dezelfde brief schrijft ze dat ze geruchten had gehoord dat Johan de Witt een grote som geld naar Venetië had overgemaakt. Een vergelijkbare beschuldiging lezen we in pamflet. Daarin wordt een gesprek tussen een pasteibakker en iemand met de naam Brant afgedrukt. Volgens dit pamflet had De Witt het land aan Frankrijk verkocht, ‘’t welck Venetien getuygen kan’. Het volk ging de straten op, schrijft Margaretha op 17 juni 1672, ‘en roepe niet ander als van veraet en dat ons lant verkocht is’. De regenten moesten maar eens bewijzen dat ze niet behoorden tot diegenen die het land aan de vijand hadden willen overgeven, vond het volk. Onder druk van oproerige burgers werd Willem III op 4 juli 1672 stadhouder van het hele gewest Holland, vier dagen later gevolgd door de benoeming tot stadhouder van West-Friesland. De Oranjegezinden staan aan het roer.

    Een verslagen raadpensionaris

    Margaretha had haar buurman in Den Haag zien lopen, schrijft ze in haar brief van 17 juni 1672. Raadpensionaris Johan de Witt zag er zo verslagen en neerslachtig uit, ‘dat een ijder verwondert is hem te sien’. Dat is ook niet zo gek, gezien de beschuldigingen aan zijn adres. Op 21 juni wordt er zelfs een aanslag op De Witt gepleegd. Niet veel later verschijnt een brief die de raadpensionaris aan de Staten van Holland heeft geschreven in druk, in de vorm van een pamflet. In haar brief van 25 juni 1672 schrijft Margaretha over de aanslag. Het is zeer goed mogelijk dat ze haar man de gedrukte brief van De Witt stuurt, want ze schrijft ‘Het reijnkonter dat de raetpensionaeris heeft gehad, sal uhEd ut dit neefensgaende sien‘.

    De gebroeders De Witt als zondebok

    In augustus wordt Cornelis de Witt gearresteerd. Hij wordt beschuldigd van het beramen van een moordaanslag op Willem III. Margaretha schrijft dat Cornelis op 9 augustus 1672 van de kastelenij op het Binnenhof naar de Gevangenpoort is overgebracht. De positie van Cornelis’ broer Johan was als gevolg van de haatcampagne onhoudbaar geworden: de raadpensionaris was gedwongen af te treden. Op 20 augustus werd de uitspraak bekend: Cornelis werd verbannen, zijn goederen werden geconfisqueerd en hij moest opdraaien voor de proceskosten. De sententie werd meteen bekend gemaakt en verscheen in een razend tempo in druk. Een woedende menigte verzamelde zich na de bekendmaking van de uitspraak bij de Gevangenpoort. Wat er daarna gebeurde, is bekend… Over de moord op de gebroeders De Witt zijn helaas geen brieven van Margaretha bewaard gebleven. Het is onbekend of ze in deze periode wel brieven heeft geschreven, al lijkt er in ieder geval een brief van 2 september 1672 te missen.

    Meer weten over pamfletten?

    Femke Deen, David Onnekink, Michel Reinders, ‘Pamphlets and Politics: Introduction’ in: Femke Deen, David Onnekink en Michel Reinders eds., Pamphlets and Politics in the Dutch Republic (Leiden-Boston 2011);

    José de Kruif, Marijke Meijer Drees en Jeroen Salman eds., Het lange leven van het pamflet. Boekhistorische, iconografische, literaire en politieke aspecten van pamfletten 1600-1900 (Hilversum 2006);

    Michel Reinders, Gedrukte chaos: populisme en moord in het rampjaar 1672 (Amsterdam 2010).

  • De Hertog van Luxemburg dreigt

    DatumPlaats
    Geschreven10 september 1672Amsterdam
    Ontvangen18 september 1672
    Lees hier de originele brief

    De post loopt helemaal niet soepel! De laatste die brief die Margaretha van haar man ontvangen heeft was van 25 augustus. Als er bij de volgende post geen brief van haar man zit, heeft ze al vier keer geen brief ontvangen. Ze is bang dat haar man al onderweg is naar Saksen. Kennelijk weet ze dat de afspraak is dat hij met het Brandenburgse leger mee zal trekken. De grote vraag is of hij, als hij onderweg is, überhaupt post kan ontvangen. Ze wacht met smart op een brief, want ze wil graag weten wanneer de troepen van de keurvorst in actie komen want dat wil iedereen graag weten!

    Brieffragment over de Brandenburgse troepen

    [theijt s heeft om de poste aen te treffe,] ondertus
    =sche verlange ick seer naer deselfs briefve en daer
    wt te hoore wanneer de troepees van den heere keur
    =vorst aent ageere1Ageren: militair optreden sulle sijn, daer Een ijder hier
    seer naer verlanckt, [binnewijlle laet den hartooch]

    Brandschatting en contributie

    Gravure van een man in harnas die naar rechts gedraaid staat en ons droevig aankijkt. Op de achtergrond zijn de Franse troepen de Utrechtse bevolking aan het afslachten.
    Portret van F.H. de Montmorency, geboren 1625, hertog van Luxemburg, gouverneur van Utrecht in 1672, overleden 1695. Te halve lijve rechts, staande. Anonieme prent uit 1674. Bron: Utrechts Archief

    Er is ook (weer) een aanmaning van de Hertog van Luxemburg2François Henri de Montmorency Bouteville. De eis is niet mals: 30.000 gulden, 300 karren hooi, 400 karren stro en 300 mud haver (een mud is ca. 36000 liter, 360 hectoliter, dat betekent ruim 15.000 kg haver). En of ze dat binnen acht dagen willen betalen, op straffe van plunderen en branden. Over dat eerste is Margaretha vrij nuchter: plunderen dat mogen ze, veel is er niet te halen, alles is toch al kaal geplunderd.

    Tot nu toe heeft ze nog niet gehoord dat ze bij andere Edelen meer eisen, maar wel bij sommige Amsterdammers: de rijke koopmannen die hun buitenhuis in Utrecht aan de Vecht hebben.

    Brieffragment over de Hertog van Luxemburg en de brandschatting of contributie

    [seer naer verlanckt,] binnewijlle laet den hartooch
    van lutsenburch3Hertog van Luxemburg niet mij aente doen maene omde
    brant schattine of kostreebuijsie opt spoedichste
    te betaelle daer ick uhEd voor dees van heb ges
    schreefve en bestaet in 30000f aen gelt
    en 300 karre met hoeij 400 met stroij 300 molder4Mudde/malder: inhoudsmaat, een Wijks mud voor graan is 150,5 liter, een Utrechts mud voor graan is 117,3 liter
    havere dit alle in 8 dage op te brenge op peene
    van5Op straffe van plondere en brande, het Eerste moogen
    wel doen sulle niet veel vinde want hebben
    der wel so geplondert datter niet gebleefve
    is, ick kan niet hooren datse dit aen Een
    =nige Edele haer huijse meer doen als ons

    Brieffragment over de Hertog van Luxemburg en de brandschatting of contributie en de mogelijke gevolgen

    maer wel aen somige Amsterdamers die haer
    huijse en goet aende vecht hebbe legge, en
    anders niemant of geen, ick sorch al mijn hart
    ontstucken6On(t)stucke: gebroken so sij dit ter Exsikusie stelle dat
    men heere de staten ons noch sulle disputee
    =ren het selfve te vergoeden om dat het de
    naem van Een b kontrubuijsie heeft, datse
    sulle sustineere7Sustineren: beweren het ter oorsaeck van uhEd
    wt landicheijt8uitlandigheid niet is, ick kander niet toe
    doen moet verwachte wat sij doen sulle kan
    niet opbrenge gelijcke die koopliede hier ock
    niet en doen, ick bender so van ontstelt bender
    half sieck van , [die dochter van joncker baerent]

    Acte van garantie

    Niemand kan de eisen van de Fransen opbrengen en dat baart Margaretha zorgen. En die zorg is vooral zakelijk. Godard Adriaan en Margaretha hebben een afspraak met de Staten (de Staten van Holland of de Staten Generaal): mocht er iets met hun huis gebeuren door het werk van haar man, dan krijgen ze een vergoeding voor de schade. Nu is Margaretha’s angst dat zoveel huizen door een contributie in plaats van een brandschatting vernietigd zullen worden, dat de Staten dan zullen zeggen dat hun schade niet komt door de “uitlandigheid” van haar man. Dat zou betekenen dat ze de vergoeding niet zouden krijgen. Ze is er zo van ontsteld dat ze er half ziek van is.

    Verstrooiing

    Margaretha besluit de brief met een smeuïge roddel over de dochter van ene jonker Barend. Die woonde ongehuwd samen met Van der Parre, maar is een maand geleden toch getrouwd. Zijn we weer helemaal op de hoogte.

  • Machtsverschuiving

    DatumPlaats
    Geschreven6 september 1672Amsterdam
    Ontvangen13 september 1672
    Lees hier de originele brief

    Margaretha valt deze brief gelijk met de deur in huis: er is in Holland een machtsverschuiving gaande. Ze is net terug uit Den Haag en daar is het nog onstuimig. Nu de gebroeders De Witt er niet meer zijn, ligt de bal bij de Prins van Oranje die sinds 4 juli ook stadhouder is. Hij moet in veel plaatsen orde op zaken stellen en de Staatse bestuurders vervangen door Oranjegezinde bestuurders. De belangrijkste bestuurders in Den Haag zijn afgezet en nu willen ze dat “sijn hoocheijt” een keuze maakt uit het lijstje genomineerden dat de bestuurders zelf gemaakt hebben.

    Gecommitteerden

    Niet in alleen in Den Haag is er een machtswisseling. In Dordrecht is er helemaal geen bestuur meer, dus daar heeft Willem III twee “gecommitteerden” heen gestuurd. Gecommitteerden zijn bestuurders uit bijvoorbeeld de Staten van Holland die een speciale taak hebben (committeren is “Met eene opdracht of volmacht voorzien, afvaardigen of zenden”). Zo bestaat de gecommitteerde raden uit de gecommitteerden die het dagelijks bestuur van Holland voor hun rekening nemen.

    Brieffragment dat hoort bij onderstaande citaat over de machtsverschuiving bij de gecommitteerden

    wt Amsterdam den 6 septem 1672

    Mijn heer en lieste hartge

    uhEd laeste is vande 25 Auguste geweest en de mijne
    met de laeste post vande 2 deeser, seedert
    ben ick weer hier gekoome, hebende het gepuepelt
    in den haech noch Even onstuijmich gelaeten die
    al de magestraet balijou, en sekreetaris1Magistraat, baljuw en secretaris hebbe
    afgeset wille dat sijn hoocheijt weer andere
    salle aenstelle hebbe selver Een nominasi
    gemaeckt daer gemelte hoocheijt de Elexsie
    wt sou doen, te dorderecht ist ock so en
    heel sonder reegeerine, derwaert sijn hoocheij
    twee gekomiteerdens vant hof heeft gesonde
    om de magistraet wt sijne naem te versette
    hier en meest in alle de steede van hollant
    salt ock so gaen men heere de state van hollant
    konne niet reesolveere sijn hoocheijt die apse=
    luijte macht te geefve maer hebbe int selfe
    gereesosveert volgent dit bij gaende, in
    soma wij beleefven hier swaere dansgereuse
    en seer bekomerlijcke tijde die gerust te
    bedde gaen sijn niet verseeckert so weer
    op te staen, [den heere nellesteijn is met]

    Toen Willem III op 4 juli stadhouder werd, gingen de bestuurders ervan uit dat zij hun macht zouden houden en dat de prins een rol zou spelen naast de bestaande politiek. Ook nu zijn de heren van de Staten van Holland nog aan het twijfelen of ze de prins absolute macht zullen geven.

    Ze vat het nog even samen: “Het zijn zware, gevaarlijke en zeer bekommerlijke tijden. Zij die gerust naar bed gaan, zijn er niet van verzekerd zo weer op te staan.”

    De burgemeesters van Utrecht

    Burgemeesters Nellesteyn2Johan van Nellesteyn en Martens3Jacob Martens van Utrecht4Er waren toentertijd meer burgemeesters van een stad, Nellesteyn, Martens en Hamel zijn de Utrechtse burgemeesters hebben een heel ander probleem. Praktisch wonen ze tegenwoordig in het buitenland. Dankzij Prins Maurits5Johan Maurits van Nassau-Siegen hebben ze een pas gekregen waarmee ze van Utrecht naar Amsterdam en vice versa zouden moeten kunnen reizen. De werkelijkheid is helaas weerbarstiger.

    De Amsterdammers denken dat Nellesteyn burgemeester Hamel6Nicolaas Hamel is, die (mede) de sleutels van Utrecht heeft overgedragen. Nellesteyn wordt door Amsterdamse burgers opgepakt als “verrader van Utrecht” en naar het stadhuis op de Dam gebracht. Er wordt een borg geëist van wel 40.000 gulden. Bovendien is Willem III gevraagd om de pas van Prins Maurits te bevestigen, maar het lijkt erop dat hij dat (voorlopig) niet wil doen. Margaretha leeft mee met Nellesteyn. De arme man zit vast en kan geen kant op.

    Eem bedrijvige dam in Amsterdam met het bekende stadhuis en de Nieuwe kerk. De Waag staat nog midden op de Dam en de bootjes liggen aangemeerd tot waar nu de Bijenkorf staat.
    Dam, noordzijde. Gezien naar Nieuwe Stadhuis, Nieuwe Kerk, Waag en Oudekerkstoren. Abraham Rademaker ca. 1700. Bron: Gemeentearchief Amsterdam

    De neven van Renswoude

    Margaretha maakt zich erg druk om Johan van Reede van Renswouden en zijn zoon Frederik van Reede van Renswoude. Ze heeft inmiddels grote bedenkingen op beide heren. Ze schrijft heel mooi:

    Brieffragment van onderstaande citaat.

    [sij sijnder nu na toe,] en hebbe groote bedenck
    kine op de voorseijde heere, ick weet ock niet
    wat segge sal, sien wel dat sij beijde niet
    stil staen maer geduerich woelle, had den
    outste al te hoorn gebleefve waer weijnich
    aangeleegen, [somige sijn van opijnie dat hij]

    Vooral het werkwoord woelen is mooi: ophef maken, tumult veroorzaken. Als Johan van Reede van Renswoude in Hoorn gebleven was, had dat geen problemen opgeleverd, maar nu wordt er over ze gepraat.

    De staat van de oorlog

    In een verbinding naar haar algehele visie op de staat van de oorlog, meldt Margaretha nog even dat de komst van de Brandenburgse wel erg fijn zou zijn. Gelukkig is er goede tijding: de Fransen hebben Maastricht verlaten, de troepen van de bisschop hebben Groningen verlaten, Blokzijl is weer in handen van de onze (‘donse’) en ze zeggen ook dat Crèvecoeur (bij Den Bosch) weer in onze handen is, maar dat is niet zeker.

    Vervolgens drukt de Franse bezetting financieel nog op Utrecht en heeft Margaretha financiële zorgen door de bureaucratie en de inflatie.

    Een grote zorg is dat met de post uit Hamburg geen brief van haar man gekomen is: dit is al de derde keer op rij dat de post geen brief van hem bij zich heeft. Er blijven ook nog zorgen om wat Luxemburg nu wil met Amerongen. Maar daar wijdt ze niet over uit.

    Na een lange brief eindigt ze met:

    Brieffragment van onderstaande citaat.

    Mijn heer en lieste hartge
    UhEd getrouwe wijf
    M Turnor
    al onse kindere kusse groote
    papa ootmoedelijck7Met ootmoed, ootmoed is nederigheid/onderdanigheid de hande, de vrou van ginckel is noch int leeger

  • Spelevaren

    Terwijl het resterende strookje Republiek in rep en roer was door de moord op de gebroeders De Witt, ging het “gewone” leven ook door. Godard was inmiddels gelegerd bij Nieuwpoort, maar erg veel gebeurde daar niet. Het was gebruikelijk dat vrouwen hun mannen kwamen opzoeken in het leger. Bij grote veldtochten bestond het eind van de colonne uit de facilitaire zaken en voorraden, de dames van lichte zeden en de echtgenotes. Aangezien je aan de Hollandse kant van de waterlinie veilig kon reizen, konden de vrouwen gewoon bij hun ingekwartierde mannen op bezoek.

    Aan de waterlinie

    Voor Margaretha’s schoondochter Philippota was de situatie in Amsterdam niet makkelijk. Als goede 17e eeuwse vrouw luisterde ze naar haar man, die naar zijn moeder en zijn vader luisterde. Margaretha wist wat ze wilde en ook Philippota was een eigenzinnige dame. Waarschijnlijk zaten ze dus behoorlijk op elkaars lip, waarbij Philippota altijd aan het kortste eind trok. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Philippota gebruik maakte van de impasse in de oorlog en naar haar man ging in Nieuwpoort.

    Een aquarel met een roeiende man met vijf dames in bootje. Dit is duidelijk een pleziervaartje. Op de achtergrond de contouren van bebouwing met een paar kerktorens, waaronder de Zwolse peperbus.
    Gezelschap van zes mensen in een boot op de Zwolse singel, Harmen ter Borch, ca. 1655. Collectie Rijksmuseum

    Spelevaren

    Na het droge weer van het voorjaar, waardoor de vijandelijke troepen zo makkelijk de rivieren konden oversteken, was het eindelijk begonnen met regenen. De rivieren vulden zich weer en de waterlinie was goed gevuld.

    Tot de zeventiende eeuw waren boten vooral functioneel: voor vervoer van personen of goederen van A naar B of om te vissen. In de zeventiende eeuw komt daar een functie bij: voor je plezier dobberen op het water. Inmiddels worden in de Republiek speciaal voor dit doel speciaal “speeljachten” gebouwd. Die zullen de ingekwartierde officieren niet tot hun beschikking hebben gehad, maar er zal zeker gebruik gemaakt zijn van sloepjes en roeiboten om tijdens de droge momenten toch vertier te zoeken op het water.

    Dit zorgeloze vertier lijkt haaks te staan op ons idee van oorlog en de ellende waar de Republiek zich in bevond. Maar je kunt je ook voorstellen dat dit juíst reden voor vertier was: zolang het kon moest je ervan genieten, je weet nooit wanneer de oorlog weer los barstte. De bezoekjes van Philippota aan haar man bleven alleen zelden zonder gevolgen…