Mijn heer en lieste hartge

Categorie: Netwerk

Wanorde en Haagse roddels

DatumPlaats
Geschreven6 oktober 1672
Ontvangen20 oktober 1672Frankfurt
Lees hier de originele brief
Let op: de scans zitten een beetje door elkaar. Logische leesvolgorde is: 169, 170 links, 172, 170 rechts, 171

Margaretha heeft de brieven van Godard Adriaan van 23 en 24 september ontvangen. In Amsterdam was het 10 à 11 dagen droog geweest, maar de wegen waarop het leger van de keurvorst marcheerde moesten wel erg slecht zijn. Het heeft immers wekenlang geregend. Ze voelt mee met haar man en het hele leger. De zware mars zou Godard Adriaan wel eens op kunnen breken, vreest Margaretha. Toch verlangt ze ontzettend naar de komst van de bondgenoten. In de Republiek gaat het namelijk niet zo best…

Waar blijft het leger van de keurvorst?

Het leger van de keurvorst moet zich, volgens de berekeningen van Margaretha, nu niet ver meer van de stad Münster of de Rijnoever begeven. Met zo’n immense legermacht, op zulke slechte wegen… Dan is drie à vier mijl best veel. In de Republiek verlangt iedereen zeer naar de komst van de Brandenburgse troepen. Zonder hulptroepen geen verlossing, alleen het vooruitzicht van een ellendige en miserabele winter. Wat moet Margaretha doen als er niet snel verlossing van het Franse juk komt? Ze koestert weinig hoop dat de stad Utrecht en de gelijknamige provincie, zelfs de kleinste steden, vóór het invallen van de winter bevrijd zullen worden.

Eerste brieffragment over het leger van de Keurvorst

ick beklaech uhEd en het heelle leeger int 
binenste van mijn hart vreese het uhEd ock 
noch wel sal opbreecken sulcke tochte en reijse
te doen, nu moet den heere keurvorst met
het leeger naer mijn gissine en reeckenin so 
het daer op aengeleijt is, niet verde vande stat 
munster of den rhijnkant1Waarschijnlijk de rijnoever weesen, tis 
noch wel veel in sulcken weer en weegen noch 
drij a vier mijlen daechs net so swaere leeger

Tweede brieffragment over het leger van de Keurvorst

te marscheere, och hoe verlanckt men hier te lande
naer deselfve volckeren, sonder dewelck wij
geen de minste verlosinge te verwachten
hebbe of konne sien, het sal wel Een Elendi
ge en mieserablewinter sijn voor veelle
ijae voor ons alle, [ick weet noch niet hoe ickt met]

‘Een deseijn’

Het Staatse leger bestaat tegenwoordig uit zeer goede militairen, heeft Margaretha vernomen. Maar ze hebben nog helemaal niets nuttigs gedaan. Ja, er was een poging gedaan om Naarden te veroveren, maar de poging was op niets uitgelopen. Margaretha voegt een belangrijk detail toe dat niet in haar eerdere brief over de aanslag op Naarden stond: het was allemaal de schuld van Antoine Charles IV de Gramont, graaf van Louvigny. De prins van Oranje had het plan willen doorzetten, en had volgens velen de stad kunnen veroveren, maar Louvigny raadde het af. De onderneming was té gewaagd. Er stond simpelweg te veel op het spel voor de jonge prins. Maar de Fransen zijn ook niet gek… Ze weten dat de prins het hier niet bij gaat laten. De hertog van Luxembourg heeft het garnizoen in Naarden versterkt met verse manschappen, voedsel en geschut.

Eerste brieffragment over Willem III bij Naarden

weer niet voort en koste, waer om den
heere louvengie niet goetvont met het de
=seijn voorte te gaen sijn hoocheijt wildender
Erenwel op aen, da en soude so de meeste
opijnie sijn de stat verovert hebbe, maer

Tweede brieffragment over Willem III bij Naarden

loeuvengi raedent af segende dat het te veel voor 
sijn hoocheijtdie Een jonck heer is en sijn Eerste
Exsploot soude sijn te veel gewaecht sou weese

Nog steeds geen orde

De poging van Willem Adriaan II van Horne – de graaf van Hoorn – om Montfoort aan te vallen was door de Franse troepen afgeslagen. Het bleek dat de graaf van Hoorn geen kruit had. Dat was hem, zei hij, wel beloofd… Margaretha vat het kort samen: er ontbreekt nog altijd het een of het ander. Veel is er niet veranderd sinds haar brief van een week geleden. Het lijkt er dan ook op dat de dood van de gebroeders De Witt nog niet veel soelaas heeft geboden. Zelfs na de dood van Johan en Cornelis de Witt wordt er nog zeer kwalijk over de broers gesproken! En dan de prins… Hij heeft zulke slechte raadgevers. Er zijn er maar weinig die het behoud van het land op de eerste plaats zetten. Er gaan ook zeer wonderlijke praatjes rond. Margaretha durft ze niet aan de pen toe te vertrouwen, schrijft ze, dus we zullen helaas nooit weten wat ze precies heeft gehoord.

Brieffragment over de wanorde in het Staatse leger bij Montfoort

[en vijfverees in gebracht,] den graef van hoorn
heeft ock Een deseijn2Dessein: doel gehadt op monfoort ijae
Een atacke daer op gedaen maer isser afge=
slage, in de welcke kapteijn lockoert3Onbekende kapitein met Eeni
=ge weijnige soldaete sijn doot gebleefve, doen
donse daer voor quaeme bevont den graef van
hoorn dat hij geen kruijt en hadt hetwelcke so
hij seijt se hem belooft hadde te sende, insom
ma4In somma: kortom daer ontbreeckt noch altijt het Een oft
ander het schijnt dat met het wechneeme vande
heeren de witte alde deesorderees5Desorder: ongeordendheid, ordeloosheid, wanorde noch niet
wech sijn, het welcke wel bedroeft voor ons alle
is, men spreeckt hier te lande noch seer qualijck
van den heere bE6De adel spreek Margaretha aan me hE (hoog edele) bijvoorbeeld shE is dan zijn hoog edele, of wel “hij”. Of als ze haar man aanspreekt gebruikt ze uhEd, u hoog edele, of wel “u”. Hier gebruikt Margaretha bE, wat zou ze daarmee bedoelen? burgere edele? bestuursedele? Of iets heel anders? wil hoope men hent ongelijck
doet, [ock van onsen buermans soon den heer]

‘In duijsent beraede’

De Fransen lijken Utrecht steeds steviger in hun greep te hebben en hebben Naarden versterkt. Ook gaat het gerucht dat Engelsen bij Den Briel willen landen. Margaretha twijfelt dan ook of ze er goed aan doet om al haar spullen naar Den Haag te verhuizen, richting de kust waar mogelijk de Engelsen landen. Zal ze De Gulden Troffel nog even aanhouden? Maar de Fransen in Naarden zijn ook wel erg dichtbij…

Toch moet Margaretha wel een keer naar Den Haag. Als ze de kinderen van haar schoondochter Philipotta niet bij zich had, dan had ze het wel geweten. Dan was ze allang richting Den Haag gegaan om het geld op te eisen waar Godard Adriaan recht op heeft. Ze belooft Godard Adriaan op de hoogte te houden. Ten minste, als de brieven aankomen… De brieven van 13 en 17 september hadden Godard Adriaan namelijk nooit bereikt. Ze hoopt dat ze De Gulden Troffel voor iets minder huurgeld dan dat ze nu betaalde kon aanhouden, al was het maar voor de winter. Ze blijft in duijsent beraede…

Eerste brieffragment verhuizen naar Den Haag of niet?

[men nu seijt is niet met al geweest,] so omt
Een alst ander derf ick mij so met persoone
als goet niet teenemael in den haech begeef
maer heb gedocht of ick dit huijs hier dat

Tweede brieffragment verhuizen naar Den Haag of niet?

noch niet verhuert is voor de winter als ickt voor
Een mindere prijs kost krijge noch in huer
hieldt en liet de muebel hier in met den
drost en sijn vrou en vader om die te bewaere
en dat wij met de kindere naer den haech
gingen op deerste onraet aldaer koste
Wij weer hier koomen, so uhE dit so goet
vint salt selfve met de Eerste post van
uhEd verwachte te verstaen, dewijl den tijt
vant verhuijse seer nadert sal ick naer
uhEd antwoort hier op verlange, hebt al

Haagse roddels

Direct na Margaretha’s opmerking over de kwalijke praat over de gebroeders De Witt, schrijft ze een curieus verhaal. Ze beschrijft mensen omfloerst, waarschijnlijk omdat ze vermoedt dat er mogelijk mee gelezen wordt. Ze zegt niet letterlijk dat er een relatie is met de verhalen over de gebroeders De Witt, maar door de overgang laat ze je het wel vermoeden.

Portret van Abraham de Wicquefort gezeten, driekwart naar rechts. Een man helemaal in het zwart, met een witte vierkante kraag. Grijzige krullen tot op de schouders en priemende ogen richting de kijker. Zijn rechterhand rust op een tafeltje met twee boeken, zijn linkerhand heeft hij op de borst.
Portret van Abraham de Wicquefort. Caspar Netscher, 1660-1690. Collectie: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort / AA1474

Ze schrijft over de zoon van een buurman ‘die zijn wijn van de avond tot de morgen graag lust’7Mogelijk wordt met de buurman Frederik van Nassau-Zuylestein bedoeld. Zijn kasteel Zuylenstein staat vlakbij Kasteel Amerongen.. Samen met een vriend van haar zoon Godard, die één oog heeft, gaat de onbekende zoon van de onbekende buurman laat in avond naar het Noordeinde. Helaas wordt uit de brief niet duidelijk wie Margaretha bedoelt en of ze het heeft over haar Haagse, Amsterdamse of Amerongse buurman. Maar een saillant detail is dat de twee genoemde personen naar ‘fickfoort’ gaan, die op het Noordeinde woont. Zeer waarschijnlijk bedoelt Margaretha hiermee diplomaat Abraham de Wicquefort, een zeer illuster figuur in de zeventiende eeuw, die inderdaad op het Noordeinde woonde. Margaretha weet niet of het waar is, maar het is wel een vreemd verhaal, te meer omdat Abraham de Wicquefort toentertijd toch wel bekend stond als een vertrouweling van wijlen Johan de Witt. Het past in de lijn van de rest van de brief. Wordt zijne Hoogheid wel goed gediend?

[doet,] ock van onsen buermans soon den heer
die sijn wijn vande avont tot den merge so wel
mach die int voorhout woont en ons kinder
goede vriendt met Een ooch, dat die alle
nacht of heel laet inde avont komperijsi8Comparitie: een gelegenheid of plaats waarbij men verschijnt int
noordijnde bij fickfoort9Van Wicquefort via Wickfoort en Vickfoort naar Fickfoort houde, oft waer is
weet ick niet altijt se sijn seer int ooch, [sijn]

Tirade

DatumPlaats
Geschreven17 september 1672Amsterdam
Ontvangen
Lees hier de originele brief

Margaretha is prikkelbaar. Ze maakt niet eens haar aanhef af en valt gelijk met de deur in huis. “Mijn heer en” en daar houdt de aanhef op. Ze stuurt een brief mee die ze aan haar zoon gestuurd heeft en het gaat erover om iemand die ergens schuld aan heeft. Omdat we de brief aan haar zoon niet hebben, weten we niet wat er precies gebeurd is. Vrij snel wordt er een neef bij gehaald, die ook vrij weinig goed gedaan heeft en kan doen.

De tirade over deze neef neemt een hele pagina in beslag. Wat interessant hieraan is, is dat ze de naam van de neef niet noemt. Kennelijk gaat ze ervan uit dat er meegelezen wordt en dat Godard Adriaan door de beschrijving wel weet over wie het gaat. Voor ons is het daardoor vrij lastig te volgen waar het over gaat. Meer over deze tirade in de laatste alinea.

Margaretha Turnor door onbekende schilder (1680-1699), collectie Kasteel Heeze. Dit is hoe ik me een prikkelbare Margaretha voorstel.

Amsterdam of Den Haag?

Margaretha zit zelf met een dilemma. Ze heeft een schip gehuurd om spullen van Amsterdam naar Den Haag te sturen. De vraag blijft waar het veilig is. Het duurt lang voor de Brandenburgse troepen er zijn en het veldtochtseizoen loopt op zijn einde. De Engelsen beginnen weer te dreigen. En wat als de Fransen in de winter nog in Utrecht zitten? Stel dat het gaat vriezen en ze dan met al het goed moet vluchten! Ze kijkt het nog 14 dagen aan, maar hoopt voor die tijd wel het goedvinden haar man te krijgen.

[staen, en ons alle bewaeren,] ick weet niet wat
ick doen sal heb al geen schip gehuert om mijn
goet naer den haech te brenge, dan hebt selfve
noch 14 opgehoude en wtgestelt, dewijlle
het afkoome vande auxijlaere troepees so
lange tardeert en ondertuschen het heelle
saeijsoen verloopt , sijn hier groote en kleijne
seer bekomert de Engelse dreijge ock noch
met haer vloot te landen, so dat men aen
alle kante seer benout is, en voorseecker
hout so de franse voorde winter niet wt de provinsi

van wttrech raecken wij inde haech niet verseeckert
sulle sijn en int hartge van de winter te moete
vluchte weet ick niet hoe men met alt goet
wech sou raecken daerom ick in duijsent bekom
merine ben niet seetende wat ick doen sal,
ben half gereesolveert het noch Een maent in
te sien en so lan hier te blijfve ondertuschen
uhEd goetvinde hier op verwachte, [ick kan niet]

De Hertog van Luxemburg

Pas na drie pagina’s gaat het weer over de Hertog van Luxemburg. Er is op last van de koning een nieuw plakkaat uitgegaan. Alle bewoners en ingezetenen van de bezette gebieden moeten binnen een maand terug keren naar hun huis. Margaretha blijft er nuchter onder, maar ze vermoedt dat haar schoondochter een nieuw alarm zal zijn.
Waar in de vorige brief de straf voor het niet betalen van de brandschatting in beslag name en platbranden was, is dat nu al de straf voor niet terug komen.

[sien worde souden sij haer beraeden,] daer op
is gistere weer Een plakaet vande hartooch
van lutsenburch wt last vande koninck wt
gekoomen waer bij alle ingeseetene en in
woonders *die haer huisine en woonplaetse inde gekonkesteerde plaetse* hebbe wort gelast voort wtgaen van
deese maent aldaer weederom te koome haer
woonplaets neeme op peene dat van die tijt
af haer goederen voor gekonfisqueert sulle af naer

Het deel tussen * * staat links overdwars

gehoude werde, haere huijse geraeseert en afgebrant en alle plantaesie af
gehouwe en geruwineert worde, dit sal weer Een nieu
=we alarm voorde vrou van ginckel sijn, hoet nu onse
wtterse vriende sulle maecken sal mijn benieuwen
de mense worde onder de franse met haer in quartierine
so seer beswaert dat sijt niet langer harde konen[, men seijt]

Nog steeds prikkelbaar

Ook al schrijft Margaretha nog over allerlei saaie onderwerpen als de lokale politiek, ordinanties en belastingen, ze raakt de prikkelbaarheid niet kwijt. Ook haar ondertekening en de PS zijn wat dat betreft luid en duidelijk. Niks geen liefste hartje, en na “UhEd getrouwe” een pinnig Et(cetera). Ze stuurt Godard Adriaan een pamflet mee. Mogelijk heeft hij haar laten weten dat ze haar toon een beetje moet matigen, maar in dit boekje kan hij zelf zien hoe vilein het er tegenwoordig aan toe gaat.

[verwachte,] hier meede blijfve

Mijn heer
uhEd getrouwe Et

ick sende dit boeckge
op dat uhEd sout sien
wat vieleijnije hier
in swan gaet1In zwang gaan: beoefend/bedreven worden (op grote schaal, populair) hoop het wel sal overkoome

De tirade: puzzelen en zoeken

Terug naar de tirade uit het begin de brief. Het volgende fragment is behoorlijk onbegrijpelijk en geeft daardoor een mooi beeld van wat voor puzzels je als lezer van dit soort oude brieven moet oplossen.

Om te beginnen is er het taalgebruik. Er zijn veel woorden die je met kennis van Engels, Duits en/of Frans wel kunt invullen, maar die je voor de zekerheid toch beter even kunt opzoeken. Gelukkig staat het Woordenboek Nederlandse Taal gewoon online. Als het echt lastig wordt, zijn de medewerkers daar ook nooit te beroerd om je te helpen. Een groot deel van de puzzel is dat er nog geen standaard spelling bestaat en veel woorden fonetisch opgeschreven zijn.

Lastiger zijn de uitdrukkingen. Daarvoor biedt het Spreekwoordenboek van Stoett vaak uitkomst, bijvoorbeeld bij “reizen en rotsen”. “Het oor heel en dal hebben” is lastig terug te vinden, maar daar biedt Twitter soelaas. “Heel en dal” is bijvoorbeeld een door oma’s nog gebruikt synoniem voor “helemaal”. De combinatie met het oor blijft vooralsnog onduidelijk.

maer onse Neef die sich inmasgeneert2Imagineren:zich voorstellen het oor heel
en dal te hebbe3Onbekende uitdrukking , en die uhEd de voorleedene winter
en ick in ick uhEd apsensie, op sijn begeere heb gereijst
en gerotst4Reizen en rotsen is een gebruikelijke samentrekking. Rotsen is vooral het (hard of wild) rijden met een paard of rijtuig en op sijn versoecke verscheijde briefve
aende kleijne steede geschreefve met alleen voor Eij in
sijn faveur maer ick voor sijn neef van vos ,
so veel gunst hebbe beweesen, de wijlle hem voort
vergeefve hier van w is gesproocken, had het wel
moogen teegen spreecke en Erhinderen5verhinderen het geene
op uhEd vertreck pas afgesproocken, dan dien
man heeft so veel te doen met Een komijs6Commies: een persoon aan wie een ambtenaar een deel van zijn taak overdraagt vander
dussen die genoechsaem bij alle Eerlijcke liede
voor infaem gehoude wert Eens sauve guarde7Sauvegarde: bescherming van goederen of personen
van sijn te prockwreere8Procureren: verschaffen, bewerkstelligen , en Ene sautijn hier
inde reegeerine te brenge, het welcke, soot
te weete het leste so het Eerste is geschiet

aengaet ick vreese mender van sal hoore, want
die man en ons voorseijde neef sijn vader hier
so int ooch sijn dat publijck op de straet daer
van gesproocke wort en ick vreese sijt haer be=
klaechge sulle, ick derfse niet waerschouwe,
hij maeckt hem daermeede so veel te doen dat hij
die voornoemde weldade vergeet en in uhEd
apsensie aen sijn vriende niet meer en
denckt, in somma Elck siet maer op sijn Eij
gen intreste en daer hij sijn voordeel van
treckt, het gaet hier teegenwoordich so dat
uhEd hier waert sou hem verwonderen en
verset staen, voor mijn weet niet langer wat
ick segge of dencken sal de heere wil ons bij
staen, en ons alle bewaeren, [ick weet niet wat]

En dan is er nog die geheimzinnige neef. Een eerste probleem is dat het begrip neef bij Margaretha erg rekbaar is. Het gaat verder dan wat we technisch gezien een neef zouden noemen. Het is bijna de “clan” waar het over gaat. We krijgen in het stuk verschillende hints over de neef. Hij is weer een neef van ene Vos, die kennelijk geen neef van Godard Adriaan en Margaretha is. Kennelijk heeft hij nogal wat gunsten aan Godard Adriaan gevraagd, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor de leden uit zijn “clan”.

Kennelijk heeft hij te doen gehad met een ambtenaar Van der Dussen, die niemand vertrouwt en is verantwoordelijk voor de aanstelling van ene Sautijn. Dat laatste is in ieder geval echt gebeurd volgens Margaretha. En daarin zit ook de eerste hint naar wie de neef zou kunnen zijn. Dit kan Gillis Sautijn zijn, hij is op 10 september door Stadhouder Willem III in de Amsterdamse vroedschap benoemd op voorspraak van Johan van Reede van Renswoude (Elias 1903, CXXII, onderaan de pagina). Als dit waar zou zijn, dan is het logisch dat Margaretha hem niet direct noemt: Johan van Reede van Renswoude was een belangrijke steunpilaar voor Godard Adriaan in de Utrechtse politiek en Stadhouder Willem III vertrouwde op hem. Het is alleen maar één bron en alle andere hints zijn nog niet uitgezocht.

Zo puzzelen de lezers van de brieven op verschillende details om erachter te komen wat Margaretha echt bedoelt. Daar zullen we alleen lang niet altijd (nu) achter komen.

Hanekampaddestoelen en ambergrijs

DatumPlaats
GeschrevenBijgesloten bij de brief van 3 maart
Ontvangen
Lees het bijgesloten briefje hier

Op 3 maart heeft Margaretha haar brief af. Hij ligt klaar om mee te geven met de post en dat zal Philippota of een personeelslid de volgende dag doen doen. Zoals Margaretha al aangaf moet ze op 3 maart echt naar Utrecht om zaken te regelen. Als Margaretha met de koets onderweg is, wordt ze onverwacht door een ruiter ingehaald: ze moet terug naar huis. En het is niet het water van Philippota dat gebroken is, maar Spaen is er!

Een aangekondigde bezoeker

Margaretha noemt Spaen voor het eerst in haar brief van 26 februari. We hebben de brieven die Godard Adriaan haar schrijft niet, maar kennelijk heeft hij haar aangegeven dat zijn vriend Spaen op bezoek komt. Hij geeft haar daarbij enkele erg specifieke opdrachten. Margaretha schrijft terug:

den heere spaen sal ick verwachte en hem
so wel trackteere als mij doenlijck sal sijn
maer hanekame padde stoelle1hanekampaddestoelen: catharellen met
Amergrijs2ambergrijs weet ick hier geen raet toe
so sijn hEd niet anders mach vrees ick
dat het tracktement dat ick hem doen
sal vrij slecht sal afloopen, dan geloof
sijn hEd de smaeck van Een goede schinck3ham
noch niet heel sal vergeeten hebbe

Dus Margaretha schrijft haar man dat ze de heer Spaen zo goed als mogelijk zal ontvangen. Ze weet zich alleen geen raad met hanekampaddestoelen en ambergrijs. Als dat het enige is wat hij eet, vreest Margaretha voor de afloop van de ontvangst, maar ze heeft het volste vertrouwen in de smaak van haar ham.

Hanekampaddestoelen

Hanekampaddestoelen zijn cantharellen. Het is de vraag of Margaretha ze wel onder die naam kende. Ze komen voor op een arme grond, bij voorkeur onder dennen, eiken, berken en beuken. Hoewel een groot deel in het bos op de Utrechtse Heuvelrug in 17e eeuw gekapt was, blijkt uit oude kaarten dat er rond Amerongen zeker wel bos of anders bomenlanen en struwelen waren. Het is dus niet onmogelijk dat cantharellen in Margaretha’s directe omgeving te vinden waren, maar ze waren wel zeer zeldzaam. Cantharellen werden wel ingevoerd vanuit Bourgondië en Italië. De kans dat Godard Adriaan ze in het metropole Berlijn wel gegeten heeft, is groter dan dat ze in Amerongen gevonden werden. In de 17e eeuw komen cantharellen wel voor het eerst in een kookboek. In 2021 verscheen een masterscriptie over paddestoelen in 17e eeuwse recepten van Emma Sofie de Vries.

Een bosstilleven met daarop een hanekampaddestoel (cantharel)
Bosstilleven met paddestoelen en slang, Otto Marseus Schriek, 1657. Privé collectie. Foto van Sotheby’s 2011. Rechts op de voorgrond een hanekampaddestoel (cantharel).

Ambergrijs

Ambergrijs is de basisgrondstof voor parfums (o.a. Chanel No. 5) en wierook. Het werd ook gebruikt in eten, maar er zijn niet veel voorbeelden bekend. Het Woordenboek Nederlandse Taal noemt bijvoorbeeld “Een met peper en amber toebereide nachtegaal”. Het werd ook wel gebruikt om wijn wat te verbeteren.

In de bibliotheek van Kasteel Amerongen staat een receptenboekje van een Mw. Rosande. Zij gebruikt in haar sorbetrecepten korrels van amber of musk. Dit recept is waarschijnlijk van later datum.

Ambergrijs is een vetachtige substanties die een potvis gebruikt om scherpe stukjes uit zijn voedsel in te kapselen. Je kunt het vinden op het strand als hij het uit gepoept of uitgekotst heeft, of het kan gewonnen worden uit de darmen van een gevangen of gestrande potvis. Ambergrijs is enorm duur en als je het per ongeluk op het strand kan je zomaar miljonair worden. De walviszaal van Ecomare is gefinancierd met de opbrengst van de 83 kg ambergrijs die gevonden werd in de darmen van een bij Texel gestrande potvis. Ook in de 17e eeuw strandden wel eens potvissen in Nederland, maar lang niet elke potvis maakt ambergrijs. Het werd wel gebruikt, maar de kans dat Margaretha er bekend mee was is klein.

Een gestrande potvis bij Noordwijk. Ambergrijs wordt gewonnen uit de darmen van een potvis
Een aangespoelde potvis op het strand bij Noordwijk, 28 december 1614 toegeschreven aan Hans Savery I (1614 – 1626), coll. Rijksmuseum
Portret van Alexander van Spaen
Alexander van Spaen, anoniem, geschilder tussen 1650 en 1675. Collectie Brantsen van de Zyp Stichting.

Alexander van Spaen

Alexander van Spaen (1619-1692) is een edelman uit Kleve, het Duits-Gelderse gebied. Hij begint zijn loopbaan bij de prins van Oranje en wordt daarna luitenant in het Staatse leger. Hierna komt hij in dienst van de Keurvorst van Brandenburg en hij bevindt zich daar regelmatig aan het hof.
In 1661 koopt hij kasteel Biljoen bij Velp. Hij was een goede bekende van Godard Adriaan.

Wanneer komt Spaen?

Op 29 februari schrijft Margaretha in een bijzin: “ick verwachte hier den heere spaen noch”

Op 3 maart schrijft Margaretha: “den heere spaen verneeme wij noch niet geloofe sijn hEd vergeet mijn aentespreecken”.

Op 4 maart is hij er dan eindelijk. Margaretha voegt snel, voor het vertrek van de post, nog een velletje met een gespreksverslag bij haar brief van 3 maart. Ze beschrijft dat Philippota haar terug liet halen en dat ze Spaen verzocht heeft de nacht te blijven, maar hij moet noch naar Den Haag. Hij wil zelfs in de middag niet blijven eten: in de tijd dat Margaretha terug gehaald heeft, dat hij al bij Van Son gegeten. Maar hij is wel zo goed geweest om een glas wijn met Margaretha te drinken. Hij belooft om een keer weer te komen en dan een nacht of twee te zullen blijven. Dat zint Margaretha wel, maar er hangt nog iets als een zwaard van Damocles boven dat toekomstig bezoek…

Spaen klapt uit de school

[hier te sulle blijfve,] ick heb hem geseijt
mij ondertusche van haenekame am
bergrijs en paddestoelle te sulle ver
sien, maer sijn hEd beklaecht hem dat uhE
sich so slecht trackteert datse den buijck
niet konne vulle, uhEd moet hem wt
dien quaede reputasie helpe ent selfve
verbeeteren, sijn hEd is noch al den
ouden spaen hij weet mij van uhEd wel-

vaerentheijt niet genoech te segge daer
de heere voor gedanckt moet sijn, ock
dat uhEd de juffrouwe so kaesijoleert
dat te verwondere is, ick seijde mij van
harte lief te was te hoore uhEd noch
so vol vier waert, hiermeede moet dees wech

den 4 maert 1672

Zodra Margaretha begint over de hanekampaddestoelen en het ambergrijs, vertelt Spaen dat hij door Godard Adriaan zo slecht ontvangen is, dat hij daar met lege buik vertrokken is. Margaretha speelt dit gelijk terug naar Godard Adriaan: hij moet het zelf maar recht zetten en zijn reputatie verbeteren. Spaen stelt Margaretha wel gerust: het gaat haar man goed.

Misschien is er meer dan één glas wijn gedronken of is er een soort directe vertrouwdheid tussen Margaretha en Spaen, want hij durft een stapje verder te gaan. Hij vertelt haar dat haar man in Berlijn de juffrouwen zo cajoleert4van het franse cajoler: vleien, flikflooien. Margaretha laat zich hierdoor niet in het minst uit het veld slaan: ze is blij dat haar man nog zo vol vuur is. En daarmee besluit ze het gespreksverslag, want de brief moet nu echt naar de post.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén